Balzac en het recht
Het best komt men er met bus 72 of met de (huur)fiets, Vélib’station rue du Ranelagh. Dan is het nog tien minuten lopen naar La maison de Balzac. Hier, in het verre Passy, onttrok Honoré de Balzac zich aan zijn vele schuldeisers. Het huis staat er nog altijd, thans omringd door hoge flatgebouwen. Het is een gratis te bezoeken museum met veel memorabilia van de beroemde schrijver. Die zich letterlijk doodwerkte om zijn schulden te kunnen betalen. Dat is niet de enige reden dat Balzacs La comédie humaine zo’n levensechte indruk maakt. Balzac had ook een voltooide rechtenstudie achter de rug, toen hij besloot niet het notariaat in te gaan, maar zich geheel aan het schrijverschap te wijden. Nu ja, niet helemaal, want helaas kreeg hij ook het idee om als uitgever het goede doel te dienen. Het werd een financieel debacle.
Vanwege de rol die het recht in zijn romans speelt en dankzij zijn eigen juridische achtergrond is Balzac een geliefd voorwerp van juridisch-literaire verhandelingen. Een prachtig specimen hiervan is de bundel Balzac. Romancier du droit (Parijs: LexisNexis 2012, 382 p.), onder redactie van Nicolas Dissaux. De bundel telt opstellen over de actoren in het recht (les avoués, les fonctionnaires, les incapables, les criminels), de executie van vorderingen (uiteraard over Eugénie Grandet), de overeenkomst en de eigendom in ruime zin. Afsluitend is een rapport de synthèse van François Ost (die Balzac als een proto-Marxist beschrijft) opgenomen. Bij wege van voorbeeld vermeld ik de bijdragen over de overeenkomst bij Balzac: ‘La conception balzacienne du contrat’ van Jean-Lou Praud (over de autonomie de la volonté in de roman Gobseck), ‘Le contrat dans “La peau de chagrin”’ van Émilie Bouchet-Le Mappian (‘une mauvaise transaction vaut mieux qu’un bon procès’) en ‘Le contrat dans “Le curé de Tours”’ van Nicolas Bergeman. Wie dit boek in een Parijse boekhandel wil aanschaffen: weet wel dat de koper die zich als enseignant aan een juridische faculteit meldt 5% korting krijgt (en wat mij betreft krijgen student-kopers die korting ook).
Ook in ons land zijn ze er, de Balzac-aanhangers. Als ik mij tot de juristen beperk, noem ik er drie. Het meest bekend is Huib Drion (van de ‘pil’). In 1939 schreef hij op 22-jarige leeftijd in De Gids over ‘Balzac en het Holland van vóór “tachtig”’. En in Tirade 1964 no 85 over ‘De “bekering” van Balzac’. Zijn dit twee literaire verhandelingen, in 1983 komt hij nog eenmaal bij zijn geliefde schrijver terug in het opstel ‘Rechters in de Comédie humaine’, in de Haardt-bundel Een goede procesorde (Deventer: Kluwer 1983), p. 117-129. Een tweede jurist is Eric Tjong Tjin Tai, die zijn Tilburgse inaugurele rede Over de grenzen van het privaatrecht (Tilburg 2011, 23 p.) aanvangt met een gedachtenexperiment ontleend aan Le père Goriot (1834). En de derde jurist? Dat ben ik zelf. Dat kan ik helaas niet staven met bewijsmateriaal, onder ons juristen de geijkte methode om iets aan te tonen, maar is mij uit eigen wetenschap bekend. En daarmee behoor ik tot de dark number van Balzacianen die van hun bewondering publiekelijk geen getuigenis hebben afgelegd.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi oktober 2013




