De vindingrijkheid van een befeestbundelde

In het verleden heb ik deze column wel eens benut om aandacht te vragen voor het verschijnsel feestbundel. Dat is een collectie opstellen welke wordt aangeboden aan iemand – vaak met enige verdiensten – die een bepaalde leeftijd bereikt (welke uiteen kan lopen van 50 tot 100 jaar) of afscheid neemt. Dat afscheid wordt dan vergald, zo stel ik mij dat voor, door de verplichting voor de jubilaris om al deze opstellen te lezen. Want met een obligaat ‘dank voor je interessante bijdrage’ komt hij er natuurlijk niet van af. Je zult toch maar Ingeborg Schwenzer heten en bij je zestigste verjaardag een tweedelige bundel met 115 opstellen krijgen aangeboden (Andrea Büchler & Markus Müller-Chen (red), Private law, national – global – comparative, Festschrift für Ingeborg Schwenzer zum 60. Geburtstag, 2 delen, Bern: Stämpfli 2011, 1871 p.). De jarige is nog veel te jong om afscheid te nemen en heeft tal van lopende onderwijs- en onderzoeksverplichtingen. Ga er maar aan staan: 69 Duitstalige, 37 Engelstalige, 8 Franstalige en één Portugeestalige bijdragen liggen momenteel op haar Baselse bureau op beantwoording te wachten.

Het valt (een beetje) te begrijpen dat sommige jubilarissen het opgeven. Voor mijn collega Ton Soons heb ik eens een bijdrage voor zijn afscheidsbundel geschreven. Ik hoorde er nooit meer iets van. Toen ik daar later met een andere auteur over in gesprek raakte, bleek ook hij nooit een bedankje te hebben ontvangen. Wij waren net voornemens om heel voorzichtig naar de reden voor dit stilzwijgen te informeren (hadden wij de jubilaris ergens mee gegriefd?), toen collega Soons voortijdig kwam te overlijden.

Maar ontvangers van een feestbundel, opgelet. Thans heeft zich een oplossing aangediend. De bedenker heet Hans Nieuwenhuis en hij is emeritus hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Bij zijn emeritaat ontving hij een bundel met 53 opstellen: A.G. Castermans et al. (red.), Ex libris Hans Nieuwenhuis, Deventer: Kluwer 2009, 678 p. Nieuwenhuis kwam op een lumineus idee in drievoud – zijn handelsmerk. In de eerste plaats beantwoordde hij niet alle 53 auteurs op hetzelfde moment. Nieuwenhuis trok er ruim de tijd voor uit: bijna twee jaren gingen voorbij voordat hij op alle opstellen was ingegaan. Was dat dan niet vervelend voor de laatsten die aan de beurt waren? Nee, want de jubilaris zorgde ervoor – zijn tweede vinding – dat alle beantwoordingen aan alle auteurs werden gemaild. Hierdoor kon iedere auteur meeleven met de worsteling van de befeestbundelde met de vraag hoe op de bijdragen te reageren.

Geschiedt dit alles in het diepste geheim, zodat degenen die geen bijdrage aan de bundel leverden zich uitgesloten weten? Niet noodzakelijk, want dat is het derde luik van de Nieuwenhuiziaanse trias: de 43 conclusies van antwoord zijn onlangs, na voltooiing van het laatste antwoord, door de auteur uitgegeven. Weliswaar niet bij een uitgever, maar binnenkort ongetwijfeld op Marktplaats.nl of bij Kloof te koop.

De reacties van Nieuwenhuis zijn niet alleen inhoudelijk aardig om te lezen, zij werpen ook een nieuw licht op de jonge emeritus. Een ontluisterend beeld soms, waar het gaat om zijn studiediscipline: ‘Een voorgeschreven vuistdik boek van Lemaire over het Internationaal Privaatrecht kende ik, in de terminologie van Carel Stolker, “van buiten”: een omslag van blauw plastic’ (p. 56). Van zijn Sallandse eetgewoonten leren wij dat aan tafel bij Nieuwenhuis – of zijn voorvaderen – in het verleden Latijn werd gesproken: ‘sidi entis, astu entis pactum’ (p. 38). En ten slotte – maar het is slechts een greep – vernemen we dat de jubilaris een bewonderaar is van de wijze van beoordeling van juridische onderzoeksvoorstellen: ‘Zelf heb ik altijd enorme bewondering voor het talent om een oordeel te vellen over nog niet geschreven boeken. Vooral als het gaat om onderwerpen die ver buiten de eigen deskundigheid liggen. Een psycholoog oordeelt over de relevantie van een onderzoek naar het relativiteitsvereiste in het aansprakelijkheidsrecht en een jurist heeft een gefundeerde mening over het belang van sociaal-psychologisch onderzoek naar het verband tussen vleesconsumptie en onwellevend gedrag’ (p. 36-37).

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2012

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *