Was getekend

Het moet niet nog veel gekker worden. Amerikaanse juridische tijdschriften lijken zo bezeten van interdisciplinair onderzoek, dat ze soms nauwelijks meer oog hebben voor gedegen traditioneel juridisch onderzoek – Jan Smits heeft er in 2009 nog op gewezen in zijn Omstreden rechtswetenschap (Boom 2009, p. 235). Die interdisciplinariteit heeft veel goede kanten, maar kruisbestuiving moet er niet toe leiden dat wij negatieve verschijnselen van andere onderzoeksculturen gaan overnemen. Zo’n negatief verschijnsel is in mijn ogen de ondertekening van wetenschappelijke artikelen door grote aantallen onderzoekers (ik heb het in het vervolg niet over politieke manifesten zoals bij ons ‘Het strafrecht verdient menselijke maat’, ondertekend door vijftien ‘jonge strafrechtjuristen en criminologen’ van mei 2011).

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw had de Universiteit Utrecht een coryfee, die jaar in jaar uit bovenaan de nationale lijst van meest geciteerde onderzoekers stond: David de Wied. Hoe kon deze man, die als directeur van een groot laboratorium en president van de KNAW heel wat bestuurlijke zaken aan zijn hoofd had, toch zoveel publiceren? Het geheim bestond hierin dat De Wied dat onderzoek helemaal niet zelf deed. Als een junior onderzoeker een mooi project had afgerond, legde hij of zij dit aan de grote baas voor en als die het mooi vond, zei hij: ‘zet mijn naam er maar bij’. Dat werkte voor beiden positief uit. Voor de jonge onderzoeker was dit een prachtige opstap om het artikel in een gerenommeerd tijdschrift gepubliceerd te krijgen. Voor De Wied was het weer een bouwsteen voor de lijst van toppublicisten. De Wied was geen uitzondering; hij deed wat in zijn discipline, de farmacologie, gebruikelijk was.

Rare lui die farmacologen, zal de lezer op dit punt wellicht opmerken. Maar vergis u niet: het De Wied-effect maakt kans ook juristenland te veroveren. Aan de overzijde van de oceaan is het al begonnen. In de University of Minnesota Law School Legal Studies Research Paper Series vol. 13, nr. 2 publiceren Richard Fabsitz en 29 anderen Guidelines from a National Heart, Lung, and Blood Institute Working Group. In het volgende nummer van deze reeks, nr. 3 (2011), breken Gurumurthy Ramachandran en zes andere onderzoekers een lans voor beter toezicht op nanobiotechnologie. In Yale Law & Economics Research Paper, nr. 426 (2011) schrijven Robert Litan en 23 andere onderzoekers over ‘Rules for growth: promoting innovation and growth through legal reform’. Deze Robert Litan kan er met zijn Ewing Marion Kauffman Foundation in Kansas City wat van. Van zijn 46 scholarly papers vermeld bij het Social Science Research Network zijn er slechts vier uitsluitend door hemzelf ondertekend. Zijn record is een publicatie over ‘National ambient air quality standards’ die naast Litan tweeënveertig medeauteurs heeft. Inderdaad, de lezer heeft het goed gezien: veel van de groepspublicaties zijn interdisciplinair of empirisch onderbouwd of komen zelfs van belendende disciplines.

Twee onderzoekers van de Universiteit van Chicago hebben het voor ons nagezocht. Zij wijzen erop dat het co-auteurschap vaak moet worden toegeschreven aan het feit dat het interdisciplinair werk betreft. Dat ‘draws on a different academic literature and it often applies unfamiliar methodologies’. Zij voorspellen dan ook ‘that by virtue of its higher degree of specialization, interdisciplinary, and particularly empirical, work will more often be collaborative than general legal scholarship’ (Tom Ginsburg en Thomas J. Miles, ‘Empiricism and the rising incidence of coauthorship in law’, John M. Olin Law & Economics working paper nr. 545 (2nd series, 2011).

Wat is erop tegen alle auteurs te vermelden? Op zichzelf lijkt het aantrekkelijk dat ook de jongste bediende op het schutblad wordt vermeld en niet in een voetnoot (‘Ook zijn wij dank verschuldigd aan … die hoofdstuk 2 voor haar rekening heeft genomen’) is weggestopt. Maar er zijn ook tegenargumenten. De volgorde van de auteurs, de vraag wie er wel en wie er niet bij hoort, zij kunnen licht tot irritatie leiden. Conflicten over co-auteurschap zijn bij ons dan ook niet zeldzaam, zoals blijkt uit de jurisprudentie van het Landelijk overlegorgaan wetenschappelijke integriteit (LOWI).

Mochten juristen het Amerikaanse voorbeeld volgen, dan lijkt het aangewezen dat zij in elk geval te rade gaan bij die onderzoekers die sinds jaar en dag de wetenschappelijke veelwijverij betrachten en daar lering van trekken. Voor ons lezers blijft het een geruststellende gedachte dat krachtens de Leidraad voor juridische auteurs bij citaten nooit meer dan drie auteurs mogen worden genoemd.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2011

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *