The unbearable richness of (some) colleges II
1 Vorige maand belichtte ik in mijn column waar Trinity College in Cambridge zijn vermogen te danken heeft. Ditmaal wil ik van een andere common-law-instelling aangeven hoe zij haar rijkdom heeft verworven.
2 Toen ik in een ver verleden in New York deed wat tegenwoordig een LL.M heet, was de stad vol goede universiteiten, maar er was één top school en dat was Columbia University. Vanaf Morningside Heights keken wij eigenlijk wat neer op Cardozo, City College, Fordam, NYU en al die andere local – in tegenstelling tot de national – law schools. Thans, veertig jaar later, staat Columbia nog steeds bij de top tien, maar het heeft daar verrassend gezelschap gekregen van NYU, voluit: New York University.
3 De basis van het succes van NYU ligt (niet alleen) in academische kwaliteiten, maar evenzeer in goed koopmanschap. Ik ontleen mijn informatie ditmaal aan een oud artikel in de New Yorker van 26 december 1977, geschreven door ene John Brooks. Het is getiteld ‘The marts of trade. The law school and the noodle factory’. Zoals deze titel al aangeeft, heeft NYU (een deel van) haar rijkdom te danken aan een pastafabriek. Dat ging zo. In de naoorlogse jaren was Arthur Vanderbilt decaan van de law school. Deze decaan ‘had a dream’: dat NYU van een armzalige lokale instelling zou uitgroeien tot wat het nu is, een universiteit in de mondiale top. Daarvoor had hij geld nodig, veel geld. In 1947 kreeg hij bezoek van een advocaat, die hem vertelde dat er voor weinig geld een pastafabriek in de aanbieding was. Daarvoor moest Vanderbilt wel $ 3,5 miljoen lenen, maar dat lukte hem op zeer schappelijke condities.
4 De hele onderneming, hoewel toch niet vrij van risico, werd een gigantisch succes. Het leek wel of heel Amerika de geneugten van een pastamaaltijd had ontdekt. Al gauw bracht de investering jaarlijks $ 1 miljoen op. In de jaren zeventig brak de tijd aan om de pasta in geld om te zetten. De opbrengst van de fabriek was liefst $ 115 miljoen. Nu maakt geld nooit helemaal gelukkig en dat was ook hier het geval. Zo’n rijke faculteit wekte de afgunst van de universiteit en grimmige verhoudingen waren het gevolg. Gelukkig kon een compromis worden bereikt. De faculteit mocht ruim de helft van de opbrengst houden en met de resterende miljoenen was ook het college van bestuur zeer content. Een wijs investeringsbeleid heeft de NYU law school vervolgens aan de top gebracht.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi april 2009




