De vrouwen van Radboud

In een vorige column woog ik de argumenten pro en contra het verschijnsel feestbundel tegen elkaar af. Mijn weging viel positief uit, maar ik wil daar wel enige voorwaarden aan verbinden. Allereerst zou een feestbundel in mijn ogen steeds een bepaald thema moeten hebben. Personen- en familierecht, rechten van de mens: het mag best een flink rechtsgebied zijn, maar geen allegaartje van familierecht, Spaans bestuursrecht en militair strafrecht, omdat de jubilaris toevallig een wat grillige carrière achter de rug heeft. Dat brengt mogelijk mee dat niet iedere vriend van de jarige of emeriterende aan bod komt. Jammer voor vriend en jubilaris, maar niet voor de (overige) lezers. Het thema dient tevoren te worden aangegeven. Het mag niet zo zijn dat de redactie na ontvangst van alle bijdragen meent alsnog een rode draad te kunnen construeren, bijvoorbeeld in die zin dat zij aangeeft dat alle bijdragen in het teken staan van de dynamiek van het recht. ‘Het recht in beweging’ is een mooie titel, maar niet voor een feestbundel. Wat de redactie wel moet worden toegestaan is de bundel in enige delen op te delen. Dat is wel een activiteit die na ontvangst ter hand kan worden genomen. Daarbij dient niet uitsluitend naar de inhoud te worden gekeken: de bijdragen moeten ook qua aantal gelijkmatig over de verschillende onderdelen te zijn verdeeld. Het staat onevenwichtig als de onderdelen rechtsgeschiedenis en gezondheidsrecht elk ruim 20 bijdragen tellen en burgerlijk recht een schamele zes (Festschrift Laufs 2005). Binnen de onderdelen kunnen de opstellen het best op volgorde van bijvoorbeeld de wettelijke regeling worden opgenomen. Ordening op alfabetische volgorde van de naam van de auteur is altijd een teken van armoede.

Plezierig vind ik het om in een woord vooraf een beknopt overzicht van de opgenomen opstellen aangeboden te krijgen. Dit vergt wel flink wat leeswerk van de zijde van de redactie, maar die is toch nodig om de kwaliteit van de bijdragen te beoordelen. Dat is hard nodig, gelet op de vrijheid die de auteurs wordt geboden. Er is er altijd wel een auteur die denkt: kom, dat stuk dat WPNR niet wilde hebben, kan ik nu mooi in de bundel voor mijn jubilerende collega kwijt. Geef, redactie, de auteurs de ruimte. Een essay als dat van Wolfgang Ernst in het Festschrift Huber 2006 (p. 165-237) is wellicht wat veel van het goede, maar als bijdragen niet langer dan vijf pagina’s mogen zijn, wordt het niets. Een afschrikwekkend voorbeeld is de bundel voor Raf Verstegen (Ad amicissimum amici scripsimus. Vriendenboek Raf Verstegen, Brugge: Die Keure 2004, 404 p.). Deze telt 96 opstellen of huldeblijken in een boek dat, de Lijst van intekenaars niet meegerekend, 395 pagina’s telt, dus gemiddeld vier pagina’s per opstel. Dat kan niet serieus zijn. Het komt voorts voor dat een auteur geen tijd of geen lust heeft om iets te schrijven en dan komt met een soort bijdrage voor een overjarig poëzie-album (‘Voor mijn goede vriend Job’). Die huldeblijken horen in een feestbundel niet thuis – bundel ze wat mij betreft bij de copyshop met een net hoesje en biedt ze aan bij de derde tafelrede.

De redactie dient zich eveneens verre te houden van ‘Schmeichelei’. Een afschrikwekkend voorbeeld kwam ik tegen in de zojuist geciteerde Verstegenbundel: ‘Dit boek is een stamelende poging van de vrienden van Raf om hun oneindige dank, hun diepe waardering en hun warme vriendschap uit te drukken’ (p. X). Wie gaat er nu 96 stamelende pogingen lezen? Ten slotte iets over de titel. Die dient kort en to the point te zijn en met een knipoog naar het verleden. ‘Alles moet anders’ voor Maurits Barendrecht, ‘Een man een man, een woord een woord’ voor Jannes Eggens, ‘Redelijkheid noch billijkheid’ voor Martijn Hesselink, ‘De vrouwen van Radboud’ voor Carla Klaassen en Carla Sieburgh en ‘Staatsrechtelijk stippelwerk’ voor Tim Koopmans zijn enkele suggesties.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juli 2007

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *