Unter Professoren

Toen ik in een ver verleden verbonden was aan de Leidse juridische faculteit, speelde daar ‘het conflict’. Het conflict speelde tussen de hoogleraren A. (Dolf) van Oven en – aanvankelijk lector – P. (Paul) Wery. Waar ‘het conflict’ over ging of wanneer het was ontstaan, wist niemand. Maar dat het er was, was voor bijna iedereen dagelijks te merken. Uit mijn jonge Utrechtse jaren herinner ik mij de strijd van O.A.C. (voornaam onbekend) Verpaalen tegen de rest van de faculteit. Ook hier is de oorzaak van de strijd althans mij niet bekend. Van later tijden dateren de vele Rotterdamse conflicten. Sommige hoogleraren duidden elkaar daar aan als ‘ambtgenoot’ of schreven in het plaatselijke universiteitsblad dat hun oudere collega maar beter met pensioen kon gaan. Nee, dan vroeger. Toen gedroegen hoogleraren zich nog beschaafd. Beschaafd? Vergeet het maar. In het Festschrift voor de Heidelbergse emeritus Heinz Holzhauer (Berlin: Erich Schmidt, 2005, p. 216-231) doet Klaus Peter Schroeder een boekje open over ‘Verschiedene Szenen aus dem bewegten Leben des berüchtigten Heidelberger Rechtsprofessors Karl Eduard Morstadt’. Deze Morstadt bestond het op college te zeggen: ‘Hier habe ich ein Buch, meine Herren, das man seiner Schlechtigkeit wegen für ein Werk von Zöpfl [een andere collega, EH] halten sollte, aber [Morstadts collega proximus, EH] Mittermaier ist der Verfasser!’, waarna hij het bespuwde en van de lessenaar wierp. Over een ander boek van Mittermaier deelde Morstadt mee: ‘Ich werfe dasselbe an die Wand; was daran gut ist, bleibt hängen’.

Morstadt was in 1812 te Freiburg op 20-jarige leeftijd op stellingen gepromoveerd. Iets substantieels zou hij daarna nooit publiceren (‘Vergeblich sucht man in den ohnehin dürftigen Schrifttumsverzeichnis Morstadts nach gelehrten rechtswissenschaftlichen Abhandlungen von eigenständigen Gewicht; sie waren seine Sache nicht’). Toch wist hij zich in 1815 te Heidelberg tot extra-ordinarius en enige jaren later zelfs tot gewoon hoogleraar te laten benoemen. Tot zijn dood in 1850 zou hij zich daar onmogelijk maken. Mittelmaier werd door hem als ‘quasicollega’ (‘ambtgenoot’) aangeduid. Hij encanailleerde zich met dronken studenten in het bruisende Heidelberger nachtleven, sprak in 1848 opruiende taal, maar was bovenal een onmogelijke collega die overigens zo overtuigd was van zijn eigen kwaliteiten (‘um die Universität Heidelberg anerkanntermaßen nicht gering verdientes, vaterlandgetreues, badischgeborenes, dem Monarchismus überhaupt, wie seinem angeborenen, gerechten Monarchen zugeschworenes, von dem Humanitätsgefühl und der Christenpflicht durchdrungenes Gemüth’) dat hij om de haverklap op verhoging van zijn tractement aandrong.

Dat hij het in Heidelberg zo lang kon volhouden, moet mede worden toegeschreven aan de protectie die hij kreeg van het hof: zijn zuster, ‘die bildschöne Schauspielerin Haizinger’ was bevriend met de vrijgezel groothertog Ludwig van Baden (door Morstadt op colleges als zijn zwager aangeduid). Als de overige hoogleraren er bij het college van curatoren al op aandrongen sancties te treffen, dan gebeurde dit niet vanwege deze protectie. Hetgeen de faculteit weer de vraag ontlokte ‘wie es möglich sey, daß die Regierung einen solchen ausgelassenen Menschen und offenbaren Jugend-Verderber als academischen Lehrer in Heidelberg dulden könne, besonders in einer Zeit, wo alles darauf ankomme, daß man die academische Jugend in leidenschaftslosem wissenschaftlichen Ernst erhalte’. De hoop ‘daß die zweite, mit Amalia Schwarzmüller 1830 geschlossene Ehe seinem hitzigen Temperament Abkühlung verschaffen würde, erfüllten sich nicht’.

Morstadt had het bij studenten helemaal gemaakt. Robert Schumann, de componist, schrijft zijn moeder ‘Ein Heroe Heidelbergs in der Jurisprudenz, unruhig, allseitig, kräftig wie ein römischer Volkstribun’. Thibaut, de beroemde tegenstrever van Savigny, wordt door Schumann met geen woord genoemd. ‘Morstadts eigentliche Begabung lag nun einmal nicht auf wissenschaftlichen Gebiet, vielmehr verstand er sich als ein Dozent, der das Katheder zur Schaubühne seiner theatralisch-exzentrischen Natur stilisierte’, vat zijn biograaf samen.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2007

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *