Onder professoren. Over wetenschappelijke integriteit

Eind vorig jaar nam mijn collega Henriette Roscam Abbing met een rede over ‘Zorgen voor de patiënt van morgen’ (Houten: Bohn Stafleu van Loghum 2006, 16 p.) afscheid van de Universiteit Utrecht. Haar werk aan deze universiteit had zij twaalf jaar gecombineerd met een aanstelling bij het Ministerie van Volksgezondheid (en Sport). In haar afscheidsrede oefende Roscam Abbing forse kritiek uit op het zorgstelsel dat per 1 januari 2006 in werking is getreden. Dat stelsel is mede onder verantwoordelijkheid van haar eigen departement tot stand gekomen. Is dat niet merkwaardig: dat iemand de eigen werkgever bekritiseert? Integendeel: alleen al het stellen van de vraag getuigt van een verkeerde instelling. Wie een aanstelling als hoogleraar vervult, dient in volle onafhankelijkheid onderwijs te verzorgen en onderzoek te verrichten. Ik besef het: de praktijk is soms – helaas – anders. Door mij aangesproken op een in mijn ogen zwakke passage in een publicatie, verweerde een collega zich onlangs met de opmerking: ‘een andere mening zou mijn [advocaten]kantoor met het oog op onze cliënten niet pikken’. De zorg van het kantoor is mogelijk legitiem, maar laat mijn collega zijn betoog dan niet ondertekenen met X, hoogleraar te Y (het werd mij in vertrouwen gezegd, vandaar deze geheimzinnigdoenerij). Het is helaas niet het enige incident van deze aard. Degeen die, al is het maar honorair, een (neven)functie aan de universiteit vervult, behoort deze geheel zonder ruggespraak uit te oefenen, anders is er voor hem of haar geen plaats aan de academie.

Het voorgaande geldt niet alleen voor bijzondere hoogleraren. Begin 1990 werd het anders zo kalme WPNR opgeschrikt door een heus debat tussen twee juristen, civilisten nog wel. J.B.M. Vranken (‘Zorgvuldigheidsnorm en aansprakelijkheid voor bodemverontreiniging uit het verleden’, WPNR 1990, nrs. 5953/5955) en J.M. van Dunné (‘Een kamikaze-aktie op de Rotte. De visie van Vranken op de aansprakelijkheid uit art. 1401 BW, in het bijzonder bij bodemvervuiling uit het verleden’, WPNR 1990, nr. 5976) kruisten de degens over de problematiek van het ‘oud zeer’. Om de toon te treffen, citeer ik Vranken: ‘Het verheugt mij [...] dat Van Dunné de handschoen die ik hem door publicatie van mijn artikel heb toegeworpen, heeft opgenomen (op een voor zijn doen redelijk zakelijke manier zelfs)’. Pas naarmate men de discussie volgde, werd duidelijk dat beiden gevestigde belangen hadden: zowel Van Dunné als Vranken hadden in deze milieuzaak geadviseerd. Daar is geen bezwaar tegen, mits betrokkene daar in hun publicaties openlijk voor uitkomen (‘adviseur van Z’).

Studenten hebben er recht op, de maatschappij heeft er recht op: dat de universiteit en een ieder die daaraan verbonden is de eigen, niet door anderen ingegeven mening verkondigt en daarbij opening van zaken geeft over de mogelijke aanwezigheid van opdrachtgevers of andere gevestigde belangen.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juli 2006

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *