Wie was toch Suijling?
De in de titel opgeworpen vraag werd mij ooit gesteld door een Utrechts docent burgerlijk recht. Mijn eerste opwelling was: hoe is het mogelijk dat een van Utrechts coryfeeën – andere grootheden waren Molengraaff en Eggens – zo weinig bekendheid geniet, dat deze zelfs bij docenten niet bekend is. Bij nadere overweging moest ik evenwel erkennen dat de fout bij mijzelf had gelegen. De steller van de vraag had zelf in Utrecht gestudeerd en daar kennelijk nooit iets over Suijling gehoord. En wie op school niet verteld krijgt wanneer de battle of Hastings plaatsvond, zal dat ook niet uit zichzelf te weten komen. Sindsdien pleeg ik op mijn eerstejaars colleges – kort – aandacht te besteden aan grote – civiele – juristen uit het verleden: Diephuis, de gebroeders Drion, Eggens, De Groot (Hugo), Meijers, Molengraaff, Pitlo, Scholten en meergenoemde Suijling. Ook een enkele buitenlandse jurist hoort in dit gezelschap thuis: Portalis (van de discours préliminaire) en Pothier. Geen nog in leven zijnde juristen dus (daar had ik iets anders voor bedacht – zie mijn volgende column). Of mijn toehoorders deze intermezzi op prijs stelden? Ik heb het, gelet op de lichte aanzwelling van de achtergrondruis die massacolleges eigen is, wel eens betwijfeld, maar deze Mohr heeft in elk geval zijn Pflicht getan. Didactisch kan de bibliografische aandacht het best worden gebracht in een functioneel kader: Eggens bij het begrip ‘verbintenis’ van artikel 6:1, Molengraaff bij artikel 6:162, De Groot bij de ongerechtvaardigde verrijking, enzovoort.
Of ook collegae in hun onderwijs aandacht aan grote juristen uit het verleden besteden, is mij niet bekend. Maar men kan er als student ook zelf werk van maken. Ooit verscheen onder redactie van T.J. Veen en P.C. Kop de bundel Zestig juristen (Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1987). Hierin zijn biografieën opgenomen van de meeste van de hierboven genoemde Nederlandse juristen (met uitzondering van de gebroeders Drion en Pitlo). Nu deze bundel vermoedelijk niet meer algemeen verkrijgbaar is – en op een enkel punt wel een update kan gebruiken – zou ik bij de redactie van dit blad willen pleiten voor herleving van de aloude rubriek Ars longa, vita brevis. In deze Ars Aequi-rubriek werden grote juristen – uiteraard beoefenaars van àlle juridische subdisciplines – biografisch belicht. Langs de weg van deze juribiografieën, werden de grootheden van toen voor het nageslacht in ere gehouden. Het recht zet zich niet alleen voort door wetgeving en rechtspraak, maar ook en misschien vooral door mensen. Redactie, er is werk aan de winkel!
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2006




