Entartetes recht
Leidse juristen zijn – terecht – trots op hun Cleveringa en diens protest tegen het ontslag van de joodse hoogleraren door de Duitse bezetter. Niet overal was de houding zo heldhaftig. Kort geleden heeft C.J.H. Jansen in het Nederlands Juristenblad de houding van de Nederlandse juridische faculteiten en haar hoogleraren in de Tweede Wereldoorlog geschetst.1 Volgens hem zijn er genoeg momenten die het schaamrood naar de kaken jagen. Maar Jansen acht het ‘een geruststellende gedachte dat slechts zo weinig juridische hoogleraren zich hebben ingelaten met de nationaal-socialistische leer en praktijk’ (p. 1942). Geheel anders was dit in Duitsland, de bakermat van het nationaal-socialisme. Bekend zijn de verwerpelijke ideeën die de nazi’s erop nahielden over euthanasie. Maar ook Duitse civilisten stelden hun denkkracht in dienst van het nationaal-socialisme. Het is met name de verdienste van de Duitse jurist Bernd Rüthers geweest, dat hij deze periode aan de – toen gewenste – vergetelheid heeft onttrokken. In 1968 werd zijn Die unbegrenzte Auslegung – na eerdere afwijzing in Keulen – in Münster als Habilitationsschrift geaccepteerd. Van dit opzienbarende boek verscheen onlangs een zesde druk.2 Er was in 1968 moed voor nodig om zo’n analyse te publiceren, bijna evenveel als voor het protest van Cleveringa. Er waren in die tijd nog veel hoogleraren – en hun leerlingen – en rechters uit de nazi-tijd in functie.
Het boek van Rüthers is na bijna veertig jaar nog zeer het lezen waard. Hij analyseert hoe de nazi’s grip kregen op de rechtsontwikkeling in het civiele recht. Het huwelijk werd door hen niet zozeer gezien als een levensverbintenis tussen twee personen, maar als een instituut dat ertoe diende ‘das Leben des Volkes fortzusetzen’ (p. 400). Daarom besloot de wetgever het huwelijk ‘weitgehend zu entprivatisieren’ (p. 402). De rechtsbevoegdheid van anderen dan Ariërs werd geleidelijk verminderd (p. 332). De nazi’s uitten scherpe kritiek op een onbegrensde bevoegdheid tot eigendomsuitoefening (p. 351). In plaats daarvan stonden zij de gedachte voor van eigendom als een ‘pflichtbezogene Befugnis’ (p. 355). Wieacker zag de rechtspositie van de boer dan ook als ‘treuhänderische Verwaltungsbefugnis am Hofe im Auftrag der Volks- und Sippengemeinschaft’ (ibidem). De overeenkomst werd door de nazi’s niet slechts als een rechtshandeling tussen twee partijen beschouwd, maar tevens als ‘Verhältnis des objektiven Rechts’ (p. 362). Volgens Siebert had de contractvrijheid geen betekenis meer: ‘wir haben den wahren Sinn des Vertrages im völkischen Recht erkannt und haben dabei festgestellt, daß hierfür der Begriff der Vertragsfreiheit nicht mehr paßt’ (p. 363). De arbeidsovereenkomst was geen gewone overeenkomst, maar een ‘gemeinschaftsbegründender’ contract (p. 383). Deze in het kader van de nazi-ideologie ontwikkelde ideeën konden in praktijk worden gebracht via open normen (Generalklauseln) als die inzake goede trouw en goede zeden. Rüthers rekent af met de veel verkondigde gedachte dat het onrecht van de nazi-tijd vooral in foute wetgeving heeft bestaan. De binding aan de wet werd in tegendeel juist versoepeld: in plaats van de wet gold het Naturrecht aus Blut und Boden of der erklärte Führerwille als hoogste goed. Het zijn volgens Rüthers de nieuwe rechtsbronnen (Führertum, partijprogramma, ras, gesundes Volksempfinden), het herdenken van rechtsbegrippen (konkrete Ordnung) en völkische uitlegmethoden, die de nazi-ideologie ingang in het civiele recht hebben doen vinden. Dat alles geschiedde op basis van de methodenleer van Karl Larenz. Ook na de oorlog werd diens Methode der Rechtswissenschaft door de hoogste Duitse rechtscolleges graag en veelvuldig geciteerd. ‘Das ist verständlich, denn diese Gerichte waren, wie die juristischen Fakultäten der Bundesrepublik, überwiegend mit Richtern besetz, die schon vor 1945 im Amt gewesen waren’, aldus Rüthers (p. 478). Een fascinerend boek.
1 C.J.H. Jansen, ‘De zes Nederlandse juridische faculteiten en haar hoogleraren in de Tweede Wereldoorlog’, NJB 2005, p. 1937-1943.
2 Bernd Rüthers, Die unbegrenzte Auslegung/Zum Wandel der Privatrechtsordnung im Nationalsozialismus (zesde druk), Tübingen: Mohr 2005, 520 p.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi januari 2006




