Plagiaat
De pers stond er onlangs vol van. Studenten zouden massaal plagiaat plegen door, zonder bronvermelding, van het internet geplukte teksten in hun werkstukken op te nemen. Hen hangt uitsluiting van het universitair onderwijs boven het hoofd, voor een vol studiejaar – de maximumstraf die faculteiten kunnen uitdelen. De schuldigen worden met hun eigen wapen verslagen: er bestaan computerprogramma’s die plagiaat met 95% zekerheid kunnen aantonen. Dat werkt niet alleen repressief: indien studenten ermee bekend zijn dat hun faculteit een dergelijk programma hanteert, gaat hier een preventieve werking van uit.
Waarom zijn faculteiten erop gebrand om het opnemen van teksten zonder bronvermelding uit te roeien: het gaat toch om de argumenten die worden gehanteerd? In hun eerste studiejaren leren studenten nu juist om op examen zonder bronvermelding argumenten ontleend aan wetgeving, rechtspraak of handboek te reproduceren. Op het vwo hebben ze al geleerd om bij werkstukken het internet te gebruiken. Het antwoord op de vraag waarom de opneming van teksten zonder vermelding van de herkomst laakbaar is, is minder eenvoudig te geven dan men zou menen. Toen de faculteit Letteren aan mijn universiteit een computerprogramma ter opsporing van scriptieplagiaat introduceerde, werd als voornaamste bezwaar van plagiaat genoemd dat het inbreuk zou maken op het auteursrecht van de betrokken auteur. Deze zou door het illegale citaat worden benadeeld. Dat moge – soms – het geval zijn, maar daar gaat het bij een scriptie of ander werkstuk helemaal niet om. Als iemand het gedachtegoed van Aristoteles als het zijne presenteert, zit Aristoteles daar zelf niet mee, evenmin als zijn erven.
Het punt is dat het gebruik maken van gegevens zonder bronvermelding in strijd is met de regels van wetenschap. Wie een laboratoriumproef doet, behoort nauwkeurig de omstandigheden aan te geven waaronder de proefneming is verricht. Degeen die een wetenschappelijk werk publiceert, dient dat met inachtneming van de regels der kunst te doen. Zo moet er een probleemstelling in voorkomen en – behalve aan sommige Engelse universiteiten – een conclusie. Ontbreken deze, dan zal het werk niet als wetenschappelijk worden aangemerkt.
Bevat de publicatie zinnen die van een ander zijn overgeschreven, dan betekent dit het einde van iemands wetenschappelijke carrière. Een overtrokken bewering, dat laatste? Geenszins, er zijn voorbeelden te over. De voormalige Leidse hoogleraar Diekstra is wellicht de meest bekende academicus die na het bekend raken van het plagiaat waaraan hij zich schuldig had gemaakt, zijn functie moest neerleggen. Aan mijn eigen faculteit moest de kandidaat voor een leerstoel belastingrecht zich terugtrekken, nadat hij door zijn naaste collega’s van plagiaat was beschuldigd. Tegen beschuldiging van plagiaat is geen enkel verweer gewassen. Diekstra zei dat hij zijn teksten op last van de uitgever moest bekorten en dat daarbij de bronvermeldingen waren weggevallen. De ongelukkige fiscalist aan mijn faculteit stelde dat niet hijzelf een tekst had overgeschreven, maar zijn student-assistent. Beide verweren maakten de zaak alleen maar erger: zorgvuldige wetenschap eist uiteraard dat alles wat onder iemands naam de deur uitgaat door betrokkene volledig wordt gecontroleerd.
Wie zich in de wetenschapsbeoefening niet aan de normen van bronvermelding houdt, wacht levenslange uitsluiting. Studenten zijn wetenschappers in de dop. Zij hebben er recht op aan de academie op het vervullen van deze functie te worden voorbereid. Dat is minder eenvoudig dan men denkt. De ongeoorloofdheid van plagiaat is geen vanzelfsprekende zaak. In een recente Utrechtse dissertatie wordt erop gewezen dat plagiaat in de wereld van kunst en muziek regelmatig voorkomt (R.W. de Vrey, Unfair competition law in Europe (diss. Utrecht), 2005, met diverse illustraties). Daar komt nog bij dat plagiaat als het ware met de bachelor-lepel is ingegoten. Wie zoals gezegd gedurende de eerste fase van de studie alleen maar heeft geleerd om op examen stukken tekst te reproduceren, behoeft daarbij geen bron te vermelden. Worden dan opeens werkstukken met een eigen mening van hem of haar verwacht, dan is het begrijpelijk dat de vermelding van gehanteerde bronnen niet vanzelf gaat. Er zijn ook allerhande praktische problemen: je hebt een prachtig citaat op je laptop staan, maar weet niet meer waar het vandaan komt. Je komt op een lumineus idee door het doorlezen van het dictaat van je repetitor; moet je daar nu naar verwijzen? Heeft een voetnoot voor de lezer niet een geheel andere functie, te weten het ontsluiten van verdere bronnen? Hoe vaak moet je verwijzen? Wat kan als van algemene bekendheid worden verondersteld? De antwoorden op deze en andere vragen komen niet vanzelf; zij vragen constante oefening. Het is van groot belang dat deze vaardigheden direct vanaf week 1 in het universitaire onderwijs worden geoefend.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2005




