Is recht wetenschap?

Als jurist voel je je er wel eens ongelukkig bij. In gemengd facultair samengestelde gezelschappen blijkt de assyrioloog een pas gevonden tekst in spijkerschrift aan het ontcijferen, de biochemicus of de medicus een geneesmiddel tegen malaria te ontwikkelen, de filosoof een nieuwe mensbeeld te poneren. Wat stelt de rechtenstudent daartegenover? Zorg voor zijn carrière. Dit is een karikatuur van de werkelijkheid, maar één die wel correspondeert met de gedachten die niet-juristen over de rechtenstudie hebben. Dat ondervond ook Carel Stolker, die als waarnemend decaan van de Leidse rechtenfaculteit in het College van decanen op nogal wat onbegrip over rechtsgeleerdheid stuitte. Is er wel zoiets als rechtsgeleerdheid, vroegen zijn collega’s zich openlijk af. Stolker koos deze vraag als thema voor de diesrede die hij vorig jaar in Leiden mocht uitspreken. Die rede kreeg landelijk bekendheid doordat zij ook in het Nederlands Juristenblad en in NRC Handelsblad werd afgedrukt. Inmiddels is Stolker erin geslaagd het debat op gang te hebben gebracht. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen plaatste het thema, op voorstel van niet-juristen, op haar agenda. Vele juridische tijdschriften volgden.

Het belang van de kwestie is evident. Als rechtsgeleerdheid geen wetenschap is, dan hoort de studie ook niet thuis aan de universiteit. Dan hoort er ook geen geld te worden gestoken in onderzoeksprogramma’s die beogen de wetenschapsbeoefening te stimuleren. Tempora mutantur. Toen onze hedendaagse universiteiten in de twaalfde eeuw ontstonden, was de juridische faculteit – met theologie – een vanzelfsprekendheid. Nog in de achttiende eeuw werd neergekeken op leden van de medische en de filosofische faculteiten. Eigenlijk is ook iedereen het nu nog wel eens dat rechten een wetenschap is. Over twee vragen wordt nu gedebatteerd. Allereerst is er de praktische vraag: hoe vertellen we het de ander. Een kwestie van public relations dus. Maar er is meer dan dat: in een open competitie met onderzoekers van andere disciplines leggen de juristen het vrijwel steevast af – zie het redactioneel van Paul van der Heijden in NJB 2004, afl. 28. Zij blijken niet in staat om hun methodologische uitgangspunten te formuleren en zijn vergeleken met economen en psychologen – meestal onze directe concurrenten – te weinig kwantitatief ingesteld. Hoog tijd dat hier iets aan gebeurt. Dat gebeurt inmiddels ook. Een aantal juridische faculteiten is van start gegaan – of begint komend jaar – met een tweejarige master-opleiding tot juridisch onderzoeker. Zodra die hun eerste abituriënten opleveren, moet onze achterstand ongedaan kunnen worden gemaakt. Juridische methoden en technieken, rechtsvergelijking, wetenschapsfilosofie en de mogelijkheid zich schriftelijk in het Engels te kunnen uitdrukken leveren daartoe de basis.

De tweede vraag is voor ons zelf interessanter. Wat maakt een vakgebied tot wetenschap? En wat houdt de rechtswetenschap in: is het alleen tekstkritiek, of is er ook een normatieve component? Is het de dogmatiek, zoals bepleit door Remco van Rhee in RM Themis 2004/4? Is de oplossing voor het vraagstuk van wrongful birth nog wetenschap? Of moeten we de Amerikaanse kant uit, waar de rechtseconomie het voor het zeggen heeft? Het is een debat, dat niet alleen in de vakbladen thuishoort. De vraag naar het wezen van de rechtswetenschap hoort ook in dit blad te worden gevoerd: in een themanummer, rode draad of op welke plaats ook. Recht is immers meer dan de kunst van het goede.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2004

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *