Rubrica legis non est lex

Harm Kloosterhuis en Carel Smith

 

De rechtsspreuk ‘Rubrica legis non est lex’ betekent dat de rubricering van een wet niet bepalend is voor de interpretatie van die wet.1 Het is een beetje een bijzondere rechtsspreuk, want anders dan de meeste spreuken kent ‘rubrica legis non est lex’ een concurrent met een tegenovergestelde betekenis: ‘rubrica legis est lex’. Simpel voorbeeld: normen in de rubriek ‘Handhaving van de openbare orde’ gaan over handhaving van de openbare orde. Bij andere rechtsspreuken vind je niet zo snel zo’n concurrent. Neem de spreuk ‘gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld’. Er is geen spreuk die uitdrukt dat gelijke gevallen ongelijk moeten worden behandeld. Althans, niemand verdedigt dat in het openbaar.

Hoe kunnen die twee tegengestelde rechtsspreuken nu beide bestaan? Dat lijkt toch een inconsistentie in ons rechtssysteem. Om dit probleem te verhelderen is het goed om eerst wat preciezer te kijken naar ‘rubrica legis est lex’. De gedachte dat de rubricering bepalend is voor de interpretatie van wettelijke normen is een tamelijk voor de hand liggende presumptie. Die normen beschouwen we nu eenmaal als onderdeel van een systematisch geheel dat op een duidelijke wijze de wil van een rationele wetgever uitdrukt. Misschien verklaart dat presumptieve karakter van ‘rubrica legis est lex’ het feit dat je deze spreuk niet zo vaak tegenkomt terwijl de ontkenning van die presumptie in ‘rubrica legis non est lex’ wel expliciet wordt vermeld. Het afwijken van een presumptie roept immers altijd vragen op. Argumentatief gezien is dat interessant. Het betekent dat degene die ‘rubrica legis non est lex’ inroept een zwaardere bewijslast heeft dan degene die – al dan niet impliciet – uitgaat van ‘rubrica legis est lex’. 

Een mooi voorbeeld van een gemotiveerde toepassing van ‘rubrica legis non est lex’ vinden we in de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in de zaak van de Rotterdamse APV over straatintimidatie, het zogenaamde ‘Rotterdamse sisverbod’: ‘Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.’ 2 Het hof moest beoordelen of sissen wordt beschermd door het grondrecht vrijheid van meningsuiting. Met een beroep op jurisprudentie en op de vernietiging van het Elburgse vloekverbod komt het hof tot de conclusie dat ook het sissen een beschermde uiting is. Vloeken en sissen zijn volgens het hof gelijke gevallen die gelijk moeten worden behandeld. Een boeiende redenering als je nadenkt over de geadresseerden van het sissen (de medeburgers) en die van het vloeken (het Opperwezen en de vloeker zelf).

Het hof bespreekt vervolgens het veronderstelde doel van het sisverbod. Dat is volgens de gemeente niet de inperking van de vrijheid van meningsuiting, maar het handhaven van de openbare orde. Dit blijkt uit de rubricering van het verbod in het hoofdstuk ‘openbare orde’. Maar, zo betoogt het hof, die rubricering is ‘niet zonder meer dwingend voor de uitleg ervan (‘rubrica legis non est lex’)’. Het discutabele van de rubricering van het sisverbod onder handhaving van de openbare orde blijkt volgens het hof uit de bewoordingen van de bepaling — ‘een ander of anderen uitjouwen of lastigvallen’ — en uit de toelichting daarop bij de totstandkoming van de bepaling.

Na dit beroep op de taalkundige interpretatie en de totstandkoming van de APV, vervolgt het hof zijn kritische beoordeling van het gestelde doel. Gemeentelijke bevoegdheden ter handhaving van de openbare orde hebben slechts een beperkte reikwijdte met als doel het ‘ordelijk verloop van het gemeenschapsleven ter plaatse’ mogelijk te maken. Dat doel is volgens het hof met het sisverbod niet gediend, want het is gericht op het beschermen van individuen tegen uitingen als sissen. Dat die uitingen ‘plaatsvinden in de openbare ruimte maakt op zichzelf nog niet dat daarmee het ordelijk verloop van het gemeenschapsleven ter plaatse in het gedrang komt (…) Dat naast de overlast die de aangedane persoon door het in art. 2:1a APV Rotterdam genoemde gedrag ervaart, ook gevoelens van onveiligheid voor omstanders ontstaan, brengt nog niet met zich dat daarmee de openbare orde wordt geschonden.’ Deze conclusie over wat nu wel en niet een schending van de openbare orde kan vormen, is niet onopgemerkt gebleven. Zie bijvoorbeeld de kritische annotatie van J.G. Brouwer en A.E. Schilder in AB 2020/179.

Wat laat dit voorbeeld van het sisverbod nu zien? Het illustreert de presumptieve status van ‘rubrica legis est lex’. Net als bijvoorbeeld de taalkundige interpretatie is ‘rubrica legis est lex’ een goed vertrekpunt bij de interpretatie van rechtsnormen. Maar zoals het hof zegt, de rubricering van een rechtsnorm is ‘niet zonder meer dwingend voor de uitleg ervan’. Ook  illustreert de uitspraak dat de afwijking van de presumptie nadere uitleg vergt. Want de keuze die het hof hier maakt voor ‘rubrica non est lex’ wordt uitgebreid gemotiveerd.

Deze vijf minuten rechtsfilosofie waren een beetje een omweg. We hadden ze eenvoudig kunnen terugbrengen tot de volgende vijf seconden rechtsfilosofie: ‘Rubrica legis est lex, tenzij er goede argumenten zijn om hiervan af te wijken.’ Dat snapt iedere jurist meteen. Maar we weten allemaal dat omwegen vaak interessanter zijn.

1 Ook de formulering ‘titulus non est lex’ drukt deze gedachte uit. 2 ECLI:NL:GHDHA:2019:3293

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.