Resultaat 337–348 van de 2093 resultaten wordt getoond
H. Gommer
De leer van de trias politica wordt eerstejaars studenten met de paplepel ingegoten. De daaraan gekoppelde machtenscheiding is een van de voornaamste obstakels voor externe controle van de rechter. In dit artikel wordt gesteld dat de leer van de machtenscheiding geen adequate beschrijving van de werkelijkheid geeft en daarom nauwelijks als argument kan worden gebruikt. Het gaat in de rechtsstaat veel meer om machtsevenwicht. De auteur introduceert een alternatief, waarbij niet langer de trias van staatsmachten, maar de burger centraal staat: de machtencirkel.
Verdieping | Verdiepend artikeljanuari 2007AA20070021
A.Q.C. Tak
De Eerste Kamer is onlangs met grote tegenzin akkoord gegaan met een wetsvoorstel dat voorziet in een nieuwe structuur van de Raad van State. Hoe is deze nieuwe structuur van de Raad van State en waarom was zij nodig? Twan Tak noemt de hoofdpunten, maar gaat vooral in op wat er niet geregeld wordt: de reeds in 1994 beloofde definitieve vormgeving van het hoger beroep en de rechtseenheidsvoorziening in de bestuursrechtspraak. Volgens hem lijkt de eigenlijke functie van de wet juist het (definitief) ontlopen van die belofte en het verder verankeren en verstevigen van de reeds vóór 1994 bestaande versnippering van de Nederlandse bestuursrechtspraak onder de informele leiding van de Raad van State.
Opinie | Opiniërend artikelnovember 2010AA20100782
R. de Bruijn
Het Europese Hof- en de Europese Commissie voor de Rechten van de mens hebben een aantal voorwaarden geformuleerd waaraan een rechterlijke autoriteit moet voldoen. In dit artikel wordt bekeken in hoeverre de Nederlandse Officier van Justitie (OvJ) als rechterlijke autoriteit is aan te merken. Hiertoe worden de posities en het optreden van de OvJ aan de in de Europese jurisprudentie ontwikkelde voorwaarden getoetst. Ook worden enkele suggesties voor de toekomst gedaan.
Verdieping | Studentartikeldecember 1989AA19890973
R. de Bock
De bestuursrechter toetst of een besluit rechtmatig is. Art. 8:69 Awb geeft nadere uitwerking aan de inhoud en de omvang van de toetsing. De jurisprudentie over art. 8:69 Awb in kaart gebracht en gestructureerd.
9789069165172 - 04-06-2004
A.J. Wierenga
Ons infectieziektebestrijdingsrecht bleek na de uitbraak van het coronavirus al snel volstrekt ontoereikend voor de noodzakelijk geachte maatregelen. De juridische queeste naar aanvullende bevoegdheden resulteerde uiteindelijk in een speciale coronawet. In langdurige afwachting van die wet werd intensief gebruikgemaakt van het gemeentelijke noodrecht om het gat te dichten. Zelfs het staatsnoodrecht werd ingezet ter infectieziektebestrijding. Dit uitzonderlijke gebruik van het noodrecht staat centraal in dit artikel.
Bijzonder nummer | Crisis!juli 2021AA20210660
J.G. Steenbeek
Annotaties en wetgeving | Annotatiejuni 1982AA19820304
L. di Bella
Ook de overheid kan aansprakelijk zijn wegens onrechtmatige daad. Gelden bij overheidsaansprakelijkheid dezelfde voorwaarden als bij aansprakelijkheid van private partijen? Een onderzoek naar de bijzondere positie van de overheid in het aansprakelijkheidsrecht.
Literatuur | Proefschriftbijdrageoktober 2014AA20140782
D. Roemers
Het voorstel, dat is gedaan in de Proeve van een nieuwe Grondwet, om de rechter te verplichten een wettelijke bepaling buiten toepassing te laten indien deze toepassing niet verenigbaar is met de in het nieuwe hoofdstuk I te verzamelen grondrechten, heeft het probleem van het toetsingsrecht in 1966 opnieuw betekenis gegeven in 1970. Deze betekenis bestaat nog steeds (in 1970), want hoewel de regering heeft laten weten dat van zijn kant op het punt van toetsing van de wet aan de Grondwet geen initiatieven zijn te verwachten, lijkt het onwaarschijnlijk dat het punt bij de Grondwetswijziging, welke voor de Kamerverkiezingen van 1971 is voorbereid, onbesproken is gebleven. Immers de KVP heeft in zijn kernprogramma en D66 heeft in zijn partijprogramma duidelijk gemaakt tot de voorstanders van het rechterlijk toetsingsrecht te mogen worden gerekend. Een initiatiefvoorstel vanuit de Kamer is dan ook zeker te verwachten.
januari 1970AA19700498
K.J. de Graaf, A.T. Marseille
Centrale Raad van Beroep (CRvB) 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2399, AB 2019/66, m.nt. R. Stijnen, RSV 2018/234, m.nt. J.H. Ermers, USZ 2018/284, m.nt. H.W.M. Nacinovic
Annotaties en wetgeving | Annotatieseptember 2019AA20190672
R.J.B. Schutgens
Annotaties en wetgeving | Annotatiejanuari 2018AA20180059
M.K. Jungschleger
Is het niet het recht van het kind, als gekozen wordt voor het voldragen van de zwangerschap, om prenataal beschermd te worden? En biedt de nationale en internationale wetgeving niet de mogelijkheid, misschien zelfs wel de plicht, kinderen prenataal te beschermen? De huidige opinie: het ongeboren kind heeft geen rechten, met als gevolg de onmogelijkheid van bescherming van het ongeboren kind tegen vermijdbare schade door doen en nalaten van de aanstaande moeder, dient te worden herzien.
Verdieping | Verdiepend artikelmei 2002AA20020339
L.J.A. Damen
Afdeling rechtspraak Raad van State (ARRvS) 18 augustus 1993, ECLI:NL:RVS:1993:AQ0607, R01.91.1682, ABkort 1993, 961. Dit is een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State onderhevig aan het pre-Awb-recht. In de zaak is sprake van een niet-volledig ingevulde subsidie-aanvraag. De ARRvS doet nog uitspraak naar het oude recht en anticipeert niet op de destijds nog niet geldende Awb. In de noot wordt ingegaan op de komst van de Awb, de anticipatie en de casus zelf.
Annotaties en wetgeving | Annotatiejanuari 1994AA19940029