Internationaal Europees en buitenlands recht

december 2005

Katern 97: Volkenrecht

I.F. Dekker, N.J. Schrijver

maart 2006

Katern 98: Europees privaatrecht

J.W. Rutgers

maart 2006

Katern 98: Europees recht

- UL Europa Instituut

maart 2006

Katern 98: Internationaal privaatrecht

K.R.S.D. Boele-Woelki

maart 2006

Katern 98: Volkenrecht

I.F. Dekker, N.J. Schrijver

juni 2006

Katern 99: Europees privaatrecht

J.W. Rutgers

juni 2006

Katern 99: Europees recht

- UL Europa Instituut

juni 2006

Katern 99: Internationaal privaatrecht

K.R.S.D. Boele-Woelki

juni 2006

katern 99: Volkenrecht

I.F. Dekker, N.J. Schrijver

Kattige dames en de persvrijheid op de Nederlandse Antillen

UCERF 17 - Actuele ontwikkelingen in het familierecht

Kiekeboe! Hier ben ik: identiteitsrechten van kinderen in het familierecht

S. Bou-Sfia

Het recht op identiteit van minderjarigen. Dit recht op identiteit is een terrein dat nog niet vaak onderzocht is begint dan ook met een open verkenning van identiteitsrechten. Verschillende verdragen zijn daardoor relevant, maar met name artikel 8 IVRK en artikel 8 EVRM bieden bescherming aan dit recht. Daarbij rijzen veel vragen: wat houdt het […]

Kind van de rekening: het belang van het kind en de ongedaanmaking van internationale kinderontvoering. Italiaans-Nederlandse kinderontvoering

M.V. Polak

Hoge Raad 20 januari 2006, nr. R05/083HR, ECLI:NL:HR:2006:AU4795, LJN: AU4795, RvdW 2006, 103, JOL 2006, 37, NIPR 2006, 1, JIN 2006, 99 Uit artikel 3 lid 1 aanhef en onder a Haags Kinderontvoeringsverdrag volgt dat voor de beantwoording van de vraag of een overbrenging of vasthouding van een kind ongeoorloofd is, beslissend is het gezagsrecht overeenkomstig het recht van de staat waarin het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk voorafgaande aan de overbrenging. Het oordeel omtrent de vraag waar het kind op het relevante tijdstip zijn gewone verblijfplaats had, is van feitelijke aard en kan in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. Doel en strekking van het Haags Kinderontvoeringsverdrag brengen mee dat de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 aanhef en onder b restrictief dient te worden toegepast. Dit betekent dat de rechter van de aangezochte staat, die zich dient te onthouden van een oordeel omtrent het gezagsrecht en het omgangsrecht, de in die bepaling gestelde strenge voorwaarden niet reeds vervuld mag achten, louter op grond van zijn oordeel dat het belang van het kind in het land van herkomst minder goed gediend is dan in het land van de aangezochte rechter.

Annotaties en wetgeving | Annotatie
september 2006
AA20060646