Toont alle 8 resultaten

De soevereiniteit van de Nederlandse wetgever en de grondwettelijke zegen van de rechter

J.W. Sap

Sinds 1848 bepaalt de Grondwet dat de rechter niet aan de Grondwet toetst. De ‘wetten zijn onschendbaar’ luidt het adagium waarop in Nederland de staatsrechtelijke verhoudingen zijn gestoeld. Over de wenselijkheid van dit verbod wordt al sinds 1848 gediscussieerd. Het moge duidelijk zijn dat de meningen zijn verdeeld omtrent de wenselijkheid van een (eventueel) rechterlijk toetsingsrecht. Zo wordt betoogd dat een rechterlijk toetsingsrecht een onaanvaardbare inbreuk is op de soevereiniteit van de wetgever. Daar staat echter weer tegenover dat de wetgever ook nu gezien artikel 94 Grondwet niet altijd het laatste woord heeft ten aanzien van geldigheid van wetten. In een recent aanhangig gemaakt wetsvoorstel (TK 2001-2002, 28 331 nrs. 1-3) van Tweede Kamerlid Halsema wordt wederom de discussie omtrent het verbod van constitutionele toetsing door de rechter aangewakkerd. Sterker nog: het betreffende wetsvoorstel voorziet in de introductie van een beperkte bevoegdheid tot constitutionele toetsing door de rechter.

Overig | Rode draad | Constitutionele toetsing
Maart 2003
AA20030159

Heeft het burgerlijk recht een constitutioneel hof nodig

R. de Graaff, O. Oost

Inmiddels pleiten ook civilisten voor constitutionele toetsing en voor de oprichting van een constitutioneel hof. Kennelijk staat de civiele rechter niet altijd te springen om grondrechten goed te beschermen. Bij die aanname kunnen echter kanttekeningen worden geplaatst. Het burgerlijk recht is een ‘living instrument’ dat ook zonder constitutionele toetsing en zonder constitutioneel hof kan worden ingezet om grondrechten te beschermen.

Opinie | Redactioneel
Januari 2016
AA20160003

September 1991

Katern 40: Bestuursrecht

R.L. Vucsán

December 2000

Katern 77: Staatsrecht

L.F.M. Besselink, R. de Lange

September 2002

Katern 84: Staatsrecht

R. de Lange

Naar een schendbare Wet?

W. van Boven

Het zogenaamde Harmonisatiewet-vonnis van de president van de Haagse rechtbank van 11 augustus 1988 en het daarop betrekking hebbende arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989 zorgden voor veel beroering onder de staatsrechtsgeleerden. Een discussiepunt vormde de vraag of het toetsingsverbod van art. 120 Grondwet (de rechter mag de wet in formele zin niet aan de Grondwet toetsen) nog wel diende te worden gehandhaafd. Er heeft zich de laatste jaren een aantal juridische en politieke ontwikkelingen voorgedaan die de onschendbaarheid van de wet niet meer zo vanzelfsprekend maken.

Verdieping | Studentartikel
Maart 1990
AA19900143

Reflecties op de Chambre de Réflexion

E.F. Verheul, S.A.M. Vermeulen

Bij Kamerleden lijken juridische vraagstukken de afgelopen jaren in sommige gevallen niet de hoogste prioriteit te hebben. De waan van de dag en scoringsdrang lijken bij Tweede Kamerleden belangrijker te zijn dan een juridisch-inhoudelijke discussie. De Eerste Kamer biedt gelukkig tegenwicht door doorgaans meer aandacht te besteden aan de juridisch-technische kwaliteit en doelmatigheid van wetten. Maar de afgelopen tijd lijkt de Eerste Kamer ook steeds meer verwikkeld te raken in het politieke spel van de Tweede Kamer. Wat moeten we daar van denken? 

Opinie | Redactioneel
September 2013
AA20130621

Urgenda: tijd voor een constitutioneel hof?

G. Boogaard

Post thumbnail De opwinding over het Urgenda-arrest is vooral van staatsrechtrechtelijke aard. In het civiele recht lijkt eerder sprake van een zekere onverstoorbaarheid. Rechterlijke onverstoorbaarheid is op zich goed voor de trias politica, maar bij te veel civiele onverstoorbaarheid in grote constitutionele kwesties, wordt het misschien toch tijd voor een constitutioneel hof.

Blauwe pagina's | Recht en politiek
Oktober 2020
AA20200862

Toont alle 8 resultaten