Tussen kaft en inhoud

Het is een onderwerp dat – gelukkig – ook in de rechtswetenschap steeds meer aandacht krijgt: de impact van vooringenomenheid (bias) op oordeelsvorming in de juridische praktijk en juridisch onderzoek (zie: Strohmaier, Veldt & Velema, NTBR 2024/25; Ter Voert, AA20260068). Een vorm van bias die onzes inziens nog onderbelicht blijft, is bias in de beoordeling van onderzoek. Dan doelen we op een vorm van bias in peerreviews (zie Lee e.a., JASIST 2013, afl. 1), namelijk op de vooringenomenheid die bij (rechts)wetenschappers kan optreden wanneer het onderwerp van onderzoek bepaalde politieke associaties oproept. Als promovendi met proefschriftonderwerpen waaraan relatief gemakkelijk een bepaalde politieke kleur te verbinden valt, menen wij dit helaas weleens te bespeuren. Het behoeft hopelijk weinig nadere argumentatie dat dit, zeker voor beginnende wetenschappers, een bedreiging voor de academische vrijheid van binnenuit kan vormen. In dit redactioneel delen wij enkele ervaringen en stellen wij de vraag: ‘Wanneer geeft een beoordeling blijk van (politiek-)ideologische bias?’

Laten wij vooropstellen dat feedback een centrale rol speelt bij het ontwikkelen van een eigen academische identiteit als onderzoeker (Inouye & McAlpine, IJDS (14) 2019, p. 2). Dat daarin ook een vorm van bias verborgen zit, is een gegeven. ‘Iedereen zit vol met bias, ook de wetenschapper’ (Rutjens, uva.nl, 19 september 2018). Dat is in zekere zin inherent aan de rechtsgeleerdheid als normatieve en argumentatieve wetenschap waarbinnen een stellingname wordt verwacht: ‘Recht is dus in beginsel en per saldo oordelen’ (Van Schilfgaarde, WPNR 2000, afl. 6396, p. 228). Daarbij valt aan te tekenen dat Van Schilfgaarde doelt op ‘recht als werkzaamheid van de rede’. Voor oordelen op basis van (politieke) ideologie, ofwel: persoonlijke overtuigingen, is in principe geen plaats (Van Schilfgaarde, De redelijkheid en billijkheid in het ondernemingsrecht, 2016, p. 23).

(Rechts)wetenschappers moeten ervoor waken dat (politiek-)ideologische bias niet de analyse beperkt, zowel die van zichzelf als die van anderen. Laten we beginnen met enkele overduidelijke voorbeelden die wij karakteriseren als bias op de kaft: reacties die vooral een (politieke) mening over het proefschriftonderwerp etaleren en waarin op basis daarvan conclusies worden getrokken over de insteek, relevantie en/of uitkomst van het onderzoek. Denk aan opmerkingen als: ‘Dat kapitalistische onderwerp lijkt me overbodig’ of ‘Jij doet zeker weer (n)iets met mensenrechten’. Dit heeft geen academische meerwaarde.

Tussen bias op de kaft en wetenschappelijke kritiek zit een grijs gebied: bias op de inhoud. Daarmee bedoelen we feedback die weliswaar betrekking heeft op inhoudelijke elementen van het onderzoek, maar die – bewust of onbewust – mede wordt gestuurd door (politiek-)ideologische bias (zie bijvoorbeeld Borjas & Breznau, Science Advances (12) 2026, afl. 1). Het is lastig te bepalen waar de grens tussen bias en kritiek ligt. Zo begint feedback soms als wetenschappelijke kritiek, maar verschiet het gaandeweg van kleur. Neem de volgende opmerking over de interpretatie van jurisprudentie: ‘Het Hof van Justitie zou het oordeel in zaak X toch écht hebben gebaseerd op de kwetsbare positie van migranten.’ Wellicht heeft de onderzoeker dit over het hoofd gezien. Echter, wanneer zij vervolgens gemotiveerd uitlegt waarom dat in haar optiek niet het geval is, dan kan het blijk geven van bias wanneer zij alsnog een bepaalde ideologische richting wordt ingeduwd of haar analyse uit het wetenschappelijk debat wordt gehouden.

Recht is geen monoloog, maar een discussie waarin wordt gezocht naar kennisverwerving en begripsverbetering (Van Schilfgaarde 2016, p. 53-55). Daaraan is inherent dat twee verschillende interpretaties naast elkaar bestaan en de strijd tot overtuigen aangaan. Het is aan de wetenschapper om kritisch te blijven op het eigen werk, maar ook om het standpunt te verdedigen binnen het academische debat. Toch vragen wij ons af of in dat debat, zeker wanneer het nog de toegangspoort daartoe betreft, voldoende wordt opgepast voor (politiek-)ideologische bias. Zeker wanneer dit wordt gepresenteerd als wetenschappelijke feedback, kan dit een negatieve impact hebben op de ervaren vrijheid tot het uiten van een ander, eigen standpunt. In een tijd waarin de wetenschappelijke vrijheid vanuit allerlei kanten onder druk staat, is het essentieel dat wij daar als wetenschappers zelf niet aan bijdragen. De strijd tussen interpretaties hoort immers thuis in het open wetenschappelijk debat, niet bij de toegangspoort.

Dit redactioneel van Imke Smits & Meriëlle de Zwart is verschenen in Ars Aequi september 2026.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *