Sociale rechtvaardigheid: de bijdrage van het privaatrecht

Kinderarbeid in India, de Spaanse tomatenpluk door illegalen uit Afrika, de vervaardiging van onderdelen van iPhones in China – het zijn even zovele vormen van onmaatschappelijk ondernemen. Valt daar – behalve via het publiekrecht – privaatrechtelijk iets aan te doen? Het is een vraag die in ons land de laatste tijd vooral op het gebied van onrechtmatige daad (Liesbeth Enneking, Foreign direct liability and beyond, Den Haag: Eleven 2012) en ondernemingsrecht (Marie-José van der Heijden, Transnational corporations and human rights liabilities, Antwerpen: Intersentia 2011, 461 p.; Tineke Lambooy, Corporate social responsibility, Deventer: Kluwer 2010, 744 p.) promotionele aandacht heeft gekregen. Op een vorig jaar te Groningen gehouden symposium is daarnaast op de mogelijkheden van het contractenrecht gewezen. Het symposium van 26 en 27 oktober 2012 stond in het teken van Public policy, good morals, and social justice in European private law.

De meest spraakmakende spreker was Hugh Collins van de London School of Economics. Die verdedigde de stelling dat in het bijzonder het consumentenrecht een bijdrage aan de bestrijding van onmaatschappelijk ondernemen kan leveren. Aan het consumentenrecht is wel eens tegengeworpen dat het – anders dan het milieu­recht – vooral de zelfzuchtige verbruiker op het oog heeft (‘consumentisme’). Hoewel kan worden toegegeven dat hierop vaak de nadruk ligt, is er toch ook al jaren aandacht voor de ‘consumer concerns’: biologische landbouw, dierenwelzijn, discriminatie, kinderarbeid, milieu en andere meer immateriële belangen. Collins nu stelt dat het conformiteitsvereiste van het contractenrecht een handvat biedt voor klachten over immateriële belangen. Zo dienen de te leveren goederen ingevolge artikel 100 (g) van het voorstel voor een Gemeenschappelijk Europees kooprecht (CESL) die hoedanigheden en prestatievermogens te bezitten die de koper mag verwachten. Mag de koper nu niet verwachten dat de goederen zonder kinderarbeid, dierenmisbruik en milieuverontreiniging zijn vervaardigd?

Artikel 100 (f) CESL voegt daaraan toe dat de geleverde goederen de hoedanigheden en prestatievermogens dienen te bezitten die zijn aangegeven in de voor het sluiten van de overeenkomst afgelegde verklaringen die op grond van artikel 69 deel uitmaken van de voorwaarden van de overeenkomst. Dat artikel bepaalt in lid 1, tegenover consumenten dwingendrechtelijk, dat indien de handelaar vóór het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij of in het openbaar een verklaring aflegt over de kenmerken van hetgeen door die handelaar uit hoofde van de overeenkomst dient te worden geleverd, deze verklaring als een voorwaarde van de overeenkomst wordt opgenomen. Een onderneming als Apple heeft een supplier code of conduct onderschreven, die van toeleveranciers eist dat deze ‘provide safe and healthy working conditions, to use fair hiring practices, to treat their workers with dignity and respect, and to adhere to environmentally responsible practices in manufacturing’. Voorts bepaalt de code dat ‘Child labor is strictly prohibited’. Indien deze code kan worden gezien als een verklaring als bedoeld in artikel 69 CESL biedt dit mogelijkheden om de Supplier code of conduct in de overeenkomst met de consument te intergreren. Een klein addertje onder het gras is de uitzondering die artikel 69 lid 1 onder (a) maakt voor het geval de consument ervan op de hoogte was of had behoren te zijn dat de verklaring onjuist was. Dit caveat niettegenstaande: kan de koper tegenover de verkoper van digtale producten een beroep op de code van Apple doen?

Het is een mooi idee. Desgevraagd deelde Collins mee dat het althans in de common law nog niet aan de rechter is voorgelegd. Maar wie let ons om voor de civil law de primeur te krijgen? Iets voor collega Alex Geert Castermans, wellicht?

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi maart 2013

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *