Het proces tegen Socrates
Juridische argumenten op het scherp van de snede. Die maken onze discipline zo boeiend. Een woordenwisseling in question time, het wereldberoemde wekelijkse vragenuur van het Britse parlement. Een ondervraging van een kandidaat-lid van het US Supreme Court door de Amerikaanse Senaat. Zij tonen de suprematie van hoor en wederhoor aan. Maar het mooiste is voor ons juristen het proces. In een proces is sprake van een sublimatie van argumenten, methoden, opvattingen. Het Proces spreekt ook de buitenwereld aan. Twee van de meest besproken strafprocessen uit de wereldgeschiedenis zijn die tegen Jezus Christus en Socrates, die geen van beiden bekend stonden om hun geschriften. Over het proces tegen laatstgenoemde schreef onlangs nog Hans Nieuwenhuis in het boek Recht en drama (A.M. Hol & J.H. Nieuwenhuis (red.), Den Haag: BJu 2011, p. 48-79). We vinden daarin de vertaling van de apologie van Socrates door Plato. Wat uit de beschrijving van Nieuwenhuis niet geheel duidelijk wordt, is waarom de Atheners het nodig vonden om hun beroemde stadsgenoot te vervolgen. Was Athene in de vierde eeuw voor Christus immers niet het – nimmer geëvenaarde – toonbeeld van democratie, waar vrijheid van meningsuiting alom werd gerespecteerd?
Een auteur die hier ruim twintig jaar geleden enig licht op heeft geworpen is de Amerikaan I.F. Stone (1907-1989). Negentien jaar lang gaf deze journalist I.F. Stone’s Weekly uit; tegenwoordig zou het vermoedelijk een blog zijn. Toen hij met pensioen ging, besloot hij een studie aan de vrijheid van meningsuiting te wijden. Via Jefferson kwam hij bij de reformatie en – steeds verder terug speurend – bij de middeleeuwen en de herontdekking van Aristoteles in de twaalfde eeuw. Dat bracht Stone ten slotte bij de oude Grieken en in het bijzonder de Atheense vrijheid van meningsuiting. Stone merkte dat Griekse auteurs in Engelse vertaling niet goed uit de verf kwamen en daarom leerde hij zichzelf Grieks, aan de hand van het Johannes-evangelie (‘εν ἀρχῃ ἤν ὁ λόγος’) en de Ilias (‘Μῆνιν ἄειδε, θεὰ’). Met zijn nieuw verworven kennis nam hij kennis van alle bronnen over het proces. Zijn spitwerk mondde uit in The trial of Socrates (New York: Random House 1989, 282 p.).
Stone geeft geen definitief antwoord op de vraag waarom Socrates ter dood moest worden gebracht. Maar hij geeft ons wel enig inzicht in de redenen die in Athene een rol speelden. De belangrijkste is vermoedelijk dat Socrates zelf helemaal niet zoveel van een democratische samenleving moest hebben. Daar kwam bij dat de macht in Athene kort tevoren tot tweemaal toe door de autocratische Spartanen was overgenomen. Deze maakten daarbij gebruik van zetbazen die bij Socrates in de leer waren geweest. Een ander punt dat Stone duidelijk maakt, is dat Socrates een uitzonderlijk onsympathiek iemand was. Hij vond het niet nodig zijn vrouw Xanthippe voor zijn dood vaarwel te zeggen. Maar vooral: Socrates liet niets na om de jury in zijn proces tegen hem in het harnas te jagen, zoals Xenophon (ja, die van θάλασσα θάλασσα) ons leert.
Het proces tegen Socrates was een unicum. Vier decennia vóór Stone heeft een Nederlandse classicus het aldus verwoord:
‘Tientallen jaren toch – dat moeten wij niet vergeten – heeft Socrates vrijuit mogen spreken en was hij de vereerde leraar van vele jonge aristocraten. De Atheense sfeer verdroeg zijn ongezouten critiek en eeuwig vermaan; in Sparta had geen Socrates kunnen opstaan! Maar in 399, in de nood der stad en onder invloed van de na-oorlogspsychose vergat men niet, dat Alcibiades en Critias, die, nog zo kort geleden, onnoemelijk veel ellende over hun vaderstad hadden gebracht, zijn trouwe hoorders waren geweest’ (D. Loenen, Plato’s verdediging van Socrates, Arnhem: Van Loghum Slaterus 1946, p. 12).
Lezing van de gedingstukken blijft boeien, ook ruim 2.400 jaar na dato.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2012




