Civilisten hebben weinig fantasie, maar meer dan Hijma (meent)

In het maartnummer van dit blad doet collega Hijma zijn beklag over het gebrek aan fantasie bij civilisten (zie AA20120168). Bij hun aanduiding van BW-artikelen gebruiken zij slechts zelden ‘koosnamen’, zoals hij dat noemt. Niet meer dan vier bepalingen schieten hem op dit punt bij het vermogensrecht te binnen: ‘pantoffelheldartikel, pot-ketel-bepaling, biljartbalartikel, uitgemergelde parkiet-bepaling’. Hiermee heeft Hijma achtereenvolgens de artikelen 1:88 (pantoffelheld), 6:211 (pot-ketel), 6:278 (biljartbal) en 7:18 (uitgemergelde parkiet) op het oog.

Deze benamingen kunnen per universiteit uiteenlopen. Zo wordt met het ‘biljartspelartikel’ in Utrecht veeleer het samenstel van de artikelen 3:33/35 bedoeld indachtig de parlementaire geschiedenis van het nieuw BW: ‘Ondanks de pogingen tot een andere terminologie te komen (Van Dunné: de bedoelingen van partijen als meespelende “factor”; Nieuwenhuis: “desverkiezend”, etc.), blijven ook bij voormelde schrijvers wil, verklaring en vertrouwen alle drie een hoofdrol spelen. Het is ermee als met het biljartspel. Men heeft drie ballen en een keu. Daarmee kan men op alle mogelijke manieren stoten, maar het blijft een spel met drie ballen en een keu’ (Eindverslag I, Parl. Gesch. Boek 3, p. 169). En artikel 7:18 wordt aan de andere zijde van Woerden met de ‘parkiet van Ivo’ aangeduid.

Overigens deel ik de visie van Hijma. Zoals ik al eens in een Belgisch tijdschrift heb opgemerkt, hebben Amerikanen veel meer fantasie dan wij, zoals blijkt uit benamingen als blue sky law, lemon law, runaway shop, safe harbor clause, sunset clause, sweetheart contract, yellow dog contract (‘Beeldende rechtstaal’, TPR 1996, p. 1189-1197). Toch heb ik bedenkingen bij de opmerkingen van Hijma. In de eerste plaats hebben sommige bepalingen geen koosnaam nodig, omdat zij zelf memora­bele woorden bevatten. Wat te denken van woorden als kloving (4:897), zetboer (7:399 e) en de bijna spreekwoordelijke ‘stoot tot ongedaanmaking’ (6:278). In de tweede plaats zijn er woordcombinaties die beogen de memorisatie van bepaalde wetsartikelen te vereenvoudigen, met ‘Koop breekt geen huur’ (7:226) en ‘koop breekt geen pacht’ (7:361) als bekende voorbeelden. Ook losse woorden worden vaker dan in de vier voorbeelden van Hijma gebezigd. Hijma heeft er kennelijk alleen de Kluwer- of de Sdu-editie van het Burgerlijk Wetboek op nageslagen. Had hij de Ars Aequi Libri-editie gehanteerd, dan was hij in de marge nog wel wat meer ‘koos­namen’ op het spoor gekomen, zoals beknelde tussenschakel (6:244), paardensprong (6:257), IKEA-clausule I (7:18), IKEA-clausule II (7:21), anti-spam (7:46h), pottenkijkers (7:459), enzovoorts. Maar civilisten zoeken bij de aanduiding van wetsartikelen ook hun toevlucht tot de rechtsgeschiedenis. Latijnse begrippen komen we als kantmelding in de BW-uitgave van Ars Aequi Libri tegen bij de pauliana (3:45), brevi manu (3:115), constitutum possessorium (3:115), longa manu (3:115), ius tollendi (3:123, 3:208, 3:266, 5:75), pignoris causa indivisa est (niet te vertalen met: varkens leven in ongedeelde modder) (3:230), paritas creditorum (3:277), fideïcommis (4:56), exceptio non adimpleti contractus (6:262), contra proferentem (6:238) (niet contra proferentum, zoals Ars Aequi aangeeft). En dan tel ik Latijnse termen in de inhoudsopgave zoals iustum pretium (3:44, 196, 349), lex rei sitae (3:92a, 10:127) en lex societatis (10:138) niet eens mee. Het voordeel van deze Latijnse ‘koos­namen’ is dat zij ook buiten ons land bekend zijn. Dat geldt in mindere mate ook voor buitenlandse trefwoorden die wij voor de aanduiding van civielrechtelijke begrippen hanteren: in het Duits Selbsteintritt (3:68, 7:416) en Vormerkung (7:3); in het Frans imprévision (4:123, 6:258), terme de grâce (7:298, 376); en in het Engels anticipatory breach (6:80; 7:756), independent contractor (6:171), state of the art (6:185), battle of the forms (6:225) en Himalaya-clausule (6:257).

Civilisten blinken niet uit in fantasie, maar er is meer onder de zon (sol iustitiae illustra nos) dan men in Leiden meent. Bovendien: wat let een beetje civilist om nieuwe namen te bedenken? Hijma’s collega Pim Huijgen gaf al eens het goede voorbeeld met 25 hedendaagse Latijnse adagia (W.G. Huijgen, Burgerlijk recht in 25 adagia, Deventer: Kluwer 1996).

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi april 2012

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *