Nederlandse juristen in de diaspora

Een Australiër met een Nederlandse naam
Twintig jaar geleden had ik het voorrecht om een semester aan een Australische universiteit te doceren. Daar kwam ik in contact met een collega internationaal privaatrecht die Peter Nye heette. Althans, zo verstond ik zijn naam. Later bleek de naam ‘Nygh’ te worden gespeld, wat meteen een belletje deed rinkelen. Inderdaad bleek de Australiër van Nederlandse afkomst: hij was afkomstig uit het voormalig Nederlands-Indië en had zich na de onafhankelijkheid van Indonesië down under gevestigd. Komt het vaker voor dat Nederlandse juristen zich elders in de wereld vestigen om daar als hoogleraar, rechter of wetgever aan het rechtsvormingsproces deel te nemen? In mijn universitaire carrière kwam ik er verschillende op het spoor: een waterpoloër in New York, Romanisten in Zwitserland en allerhande juristen in Engeland. Vooral dat laatste land blijkt een aantrekkelijke nieuwe thuisbasis voor Nederlandse collega’s – en dan laat ik de tijdelijke aanstellingen nog buiten beschouwing.

Een waterpoloër in New York
Vijfenveertig jaar geleden studeerde ik in de Verenigde Staten. Een van mijn docenten daar was Hans Smit. Ik volgde bij hem het vak Europees recht. Nederlandser kan een naam nauwelijks en deze Amerikaan bleek ook van Nederlandse afkomst. Hij had voor Nederland zelfs nog meegedaan aan de Olympische Spelen van 1948, zo fluisterden mijn medestudenten, en wel in het waterpoloteam (ik heb dit niet kunnen verifiëren). In ons land geniet deze processualist vooral bekendheid als oprichter van het Columbia-Leyden-Amsterdam Summer Program in American Law, dat deze zomer voor de 48e keer werd gegeven, ditmaal in Leiden.

Nygh en Smit zijn niet de enige buitenlandse juridische academici van Nederlandse afkomst. Een veel geziene deelnemer aan internationale congressen is de Canadese civilist Joost Blom, die van 1972 tot 2009 verbonden was aan de University of British Columbia. Anders dan Smit, die aan de Universiteit van Amsterdam studeerde, is Blom geheel in de common law gevormd. Hetgeen niet wegneemt dat hij een enkele maal over Nederlands recht publiceert – zie zijn artikel ‘Laying claim to long-lost art: the Hoge Raad of the Netherlands and the question of limitation periods’, International Journal of Cultural Property 2000, afl. 9, p. 138-150.

Romanisten in het buitenland
Naast deze eenlingen is er ook een groep juristen die ons land hebben verlaten. In mijn studietijd was Romeins recht in het eerste jaar een belangrijk vak. Bij de colleges van Robert Feenstra in Leiden waren steeds ook diens beide assistenten Hans Ankum en Felix Wubbe aanwezig. Ankum maakte vervolgens carrière aan de Universiteit van Amsterdam, terwijl Wubbe zijn heil zocht in Zwitserland. Daar doceerde hij Romeins recht aan de Universiteit van Fribourg. Een andere Nederlandse Romanist in de diaspora is Boudewijn Sirks, die na zijn studie in Leiden, promotie in Amsterdam en aanstelling in Utrecht achtereenvolgens naar Frankfurt en Oxford trok. Aan deze laatste universiteit bekleedt hij de eervolle positie van Regius Professor of (Civil) Law. Daarvan zijn er maar vijf: in Cambridge, Dublin, Edinburgh, Glasgow en Oxford. Een voorganger van Wubbe en Sirks is J.E. Scholtens, die na zijn studie te Amsterdam Romeins recht achtereenvolgens in Utrecht en aan de Universiteit van Witwatersrand in Zuid-Afrika doceerde.

Safe haven Engeland
Engeland blijkt ook voor niet-Romanisten uit ons land een goede thuishaven. Scholtens schoonzoon Jan Dalhuisen begon zijn Nederlandse loopbaan eveneens te Utrecht, maar vervolgde deze aan King’s College te Londen. Daar heeft hij gezelschap van Cees van Dam, die nog wel een honoraire band met Utrecht heeft. En om even bij mijn eigen universiteit te blijven: wijlen Gerrit Betlem (Southampton) en wijlen Lammy Betten (Exeter), om maar enkelen te noemen, vonden er hun universitaire bestemming. Zo hebben ongetwijfeld ook andere faculteiten hun bijdrage aan de brain drain geleverd.

Eppur...
Het lijkt heel wat, maar het houdt eigenlijk niet over. Het handjevol academici van Nederlandse afkomst in den vreemde valt in het niet vergeleken met de cohorten buitenlanders die aan onze juridische faculteiten zijn aangesteld. Maar daarover meer in een volgende column.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi december 2010

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *