‘…’ en het recht: cricket

‘It’s not cricket’ is een Engelse zegswijze voor ‘dat is niet correct, niet netjes’. Dat is niet helemaal hetzelfde als ‘onjuist, onrechtmatig of onwettig’. Maar over de vraag of iets onjuist, onrechtmatig of onwettig is, heeft de cricketsport ons toch veel te vertellen. Dat valt te lezen in een boekje dat een jaar of vijftien geleden werd gepubliceerd door David Fraser (Cricket and the law. The man in white is always right, Sydney: Institute of Criminology, 1993, 274 p.). Niet zo lang geleden verscheen een tweede druk (2005, 438 p., maar ik verwijs hieronder nog naar de eerste druk). Fraser was mijn collega aan de University of Sydney. Nu ja, collega: het was een onmogelijk iemand om mee samen te werken, die met bijna iedereen ruzie maakte, een Canadees van de ‘Critical legal studies’-beweging. Het enige wat ons bond was dat wij de twee enige mannen in de plaatselijke ‘Gender and law’-werkgroep waren. Amerikanen spelen geen cricket, maar honkbal. Canadezen, dacht ik, waren alleen in ijshockey geïnteresseerd. Kennelijk ten onrechte. Om onduidelijke reden had Fraser een liefde voor de cricketsport opgevat en die liefde wist hij goed te combineren met zijn postmodernistische visie op het recht.

‘Australian legal scholarship is boring’, zo begint Fraser zijn boek. ‘More important, however, [...] is its continuing irrelevance’, vervolgt hij (het waren dit soort overpeinzingen, die hem niet geliefd bij collega’s maakten). Na deze intro verwacht de lezer mogelijk een vernietigend commentaar op Frasers sportieve uitweidingen. Die zal men evenwel van mij niet krijgen, want ik heb veel plezier aan het boek beleefd.

Miller v. Jackson is zo’n uitspraak die ik in deze columns al eens heb geciteerd. Het gaat om de nieuwe dorpsbewoners die benauwd zijn dat er een cricketbal in hun tuin zal neerploffen. Als ouders van een baby is die angst niet geheel ongerechtvaardigd. Maar een cricketverbod zou wel het einde van twee eeuwen volkssport betekenen. En dat is iets wat de Engelse rechter, de grote Lord Denning, duidelijk niet wil. Al na het lezen van de eerste zin weet de lezer wie zal winnen. Iets wat collega Willem Witteveen geen goede zaak vindt; ik vind het juist prachtig. Fraser laat zien dat de nieuwkomer nodig is om de incrowd, de dorpsbewoners, te definiëren: ‘Our community is defined, must be defined, by those that we exclude, those who do not understand us’ (p. 23).

Johan Cruijff nam eens een strafschop door het geven van een voorzet aan een medespeler, die de bal prompt het doel in schoot. De keeper moet zich bij deze uiterst ongebruikelijke, maar niet onreglementaire beweging zo hebben gevoeld als de Nieuw-Zeelandse batsman die van de Australische bowler een ondershands geworpen bal kreeg toegespeeld. Daaruit kon hij niet scoren, waardoor Australië de eendaagse won. Formeel had de Australische bowler correct gehandeld, maar volgens Fraser hadden de umpires er beter aan gedaan in de geest van de cricketsport te beslissen. Dit was ‘geen cricket’ (p. 130).

Fraser voert ons nog naar een veelheid van cricketvragen, zoals de beruchte wijze van uitgaan ‘leg before wicket’ (lbw) die veel gemeen heeft met de causaliteit van het nalaten (p. 96) en de kwestie of de umpire een fout al dan niet moet erkennen (p. 51; tegenwoordig heeft men daar bij testmatches een derde scheidsrechter voor die op de tribune alsnog de televisiebeelden kan bestuderen).

De auteur weet deze op het oog triviale voorvallen op ludieke wijze met Derrida, Foucault, Gadamer, Huizinga (homo ludens), Marx en postmodernisme te verbinden. Ook voor de honkballers onder ons onderhoudende lectuur.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2008

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *