Wat is kunst: voer voor juristen
Het aardige van het juridisch métier is dat van ons regelmatig beslissingen worden verwacht over de essentie van andere (wetenschaps)gebieden, zoals theologie, geneeskunde en kunst. Kan een bordeel aan de Oudezijds Voorburgwal uit fiscale overwegingen voor de rechtsvorm van een kerkgenootschap kiezen? Mag een kwakzalveres als zodanig worden aangeduid (vergelijk LJN: BA6412)? Is een opera van Strauss een opera van Strauss als de enscenering niets met de oorspronkelijke setting van doen heeft? Over deze laatste vraag moest indertijd de Oostenrijkse rechter oordelen – zie AA20050071; p. 17 van deze bundel. Eveneens uit Oostenrijk bereikt ons de volgende casus. De groep jonge Weense kunstenaars Gelitin had in 2003 van het museum te Salzburg opdracht gekregen om aldaar bij gelegenheid van de opening van de Festspiele een Arc de Triomphe te bouwen. Het kunstwerk van de groep bestond uit twee zuilen met een hoogte van drie meter en als afsluiting een vleeskleurige man van zes meter uit wiens onderbuik een stevig gevormde zuil stak, waaruit een forse waterstraal spoot welke werd opgevangen in de mond van het standbeeld. Uit de pers kan men opmaken dat het kunstwerk niet geheel incontroversieel was. Een furieuze loco-burgemeester betitelde het als ‘eine Geschmacklose und zudem äußerst hässliche, nackte Puppe mit erigiertem Glied’ en stelde tegen het museum een bezitsactie in. Voorts liet hij de brandweer om het beeld een bekisting optrekken, die het aan het gezicht onttrok. Hetgeen de gemeente op haar beurt op een bezitsactie, ditmaal van het museum, kwam te staan, dat zich beriep op het in de Oostenrijkse Grondwet gewaarborgde vrijheid van het ‘künstlerische Schaffen’. We vinden deze anecdote in het aardige boekje Kunst en recht III van de Amsterdamse hoogleraar Eltjo Schrage, uitgegeven door het Amsterdamse advocatenkantoor Russell. Hoe het afliep, verklapt de auteur aan het eind van hoofdstuk 1, maar ik laat de lezer nog even in spanning.
Behalve ophef over de al dan niet vermeende inbreuk op de goede zeden kunnen ook fiscale overwegingen tot juridische bespiegelingen over het wezen van de kunst leiden. Wie is – of liever: was – ‘kunstenaar’ in de zin van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars. En natuurlijk zijn er de talloze dwalingsarresten. Een mooi voorbeeld is het arrest van het Franse Cour de cassation van 5 februari 2002, Bulletin civil 2002, I, 46, inzake Brossard/Cornette de Saint-Cyr, dat ik al eens eerder in NTBR heb gesignaleerd. Op 29 september 1993 kocht een liefhebber van de werken van Daniel Spoerri op een veiling een object waarover de catalogus vermeldde: ‘Daniel Spoerri, Mon petit déjeuner, 1972. Tableau-piège: vaisselle et objets divers collés sur bois. Porte au dos un texte de l’artiste et la mention “pris en février-mars 1972 à Paris 17e”. Signé et daté au dos.’ Na aankoop van het object komt de koper te weten dat Daniel Spoerri bij gelegenheid van een expositie van zijn werk bezoekers in de gelegenheid heeft gesteld om hem hun objecten te tonen ter verkrijging van ‘des brevets de garantie vierge destinés à être collés au dos des futurs tableaux qui seraient acceptés et authentifiés’. Koper vordert vernietiging van de aankoop wegens dwaling, als blijkt dat het aangekochte object het werk is van een jongen van elf jaar. Nadat het Parijse hof de vordering heeft afgewezen – koper heeft volgens het hof precies ontvangen wat hij mocht verwachten – casseert het Cour de cassation het hof-arrest: ten onrechte heeft het Parijse hof niet onderzocht of koper had mogen verwachten dat Spoerri het object zelf had vervaardigd. Deze rechtsstrijd geeft volgens Bernard Edelman, ‘L’erreur sur la substance ou l’oeuvre mise à nu par les artictes, même!’, Dalloz 2003, Doctrine 436, aanleiding tot het stellen van de vraag wat wezenlijk is voor kunst: de authenticiteit of de handtekening van de kunstenaar. Die vraag is nog niet zo gemakkelijk te beantwoorden. Schrage meent zelfs dat ‘deze vraag niet te operationaliseren is [...]: de opvattingen over wat kunst is, en wat niet, zijn niet statisch, maar aan voortdurende verandering onderhevig’ (p. 28). Dit antwoord is te gemakkelijk. Alleen al het verbod van rechtsweigering brengt mee dat de rechter gehouden is conflicten over wat kunst is te beslechten. Hij kan zich daarbij laten leiden door geschillen op andere gebieden. Zo is er op het punt van wat de essentie uitmaakt een verrassende gelijkenis tussen kunst en geneeskunst. Bij beide dient zich de vraag aan of de handeling danwel de hoedanigheid van de beoefenaar centraal staat. Het ligt daarom voor de hand om bij problemen omtrent kunst te rade te gaan bij de BIG-jurisprudentie.
Het recht, zo weet elke lezer van dit blad, bestaat in de kunst om het billijke en het goede te vinden. Voor de vraag wat kunst is, zijn geen vaste, door de tijd gelijke criteria te vinden. Maar het is wel mogelijk daarbij steun te vinden bij andere takken van wetenschap, zoals de geneeskunde. En de zaak van Gelitin? Die werd door de Oostenrijkse rechter geschikt. Daar staat het verbod van rechtsweigering niet aan in de weg.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi december 2007




