Civielrechtelijke plaatsopneming

1 Bij mijn aantreden als rechtenstudent in de Verenigde Staten enige decennia terug kreeg ik een boekje uitgereikt waarin een korte bespreking van enige leading cases van die tijd – zoals Marbury v Madison, Brown v Board of Education en Roe v Wade – met plaatjes van de betrokken procespartijen werd geïllustreerd. Het vormde voor mij een goede introductie in het Amerikaanse recht. Zoiets blijft (visueel) hangen. In ons land ken ik een dergelijke publicatie niet. Wel is er ook bij ons soms meer dan gebruikelijk aandacht voor de feiten. Ik kan dit illustreren aan de hand van drie bekende civielrechtelijke arresten: Bardoel/Swinkels (varkenspest), de Water­toren-arresten en de Kantharos-zaak. Ook andere rechtsgebieden, zoals het strafrecht en het staats- en bestuursrecht, zouden zich lenen voor een dergelijke exercitie, maar in deze XXL Column gebeurt dat niet.

2 Collega Freek Bruinsma stuurde zijn studenten er eens op uit om bij de procespartijen van bekende arresten na te gaan in hoeverre de procesgang voor hen duidelijk was (nee, dus). De publicatie ‘De Hoge Raad van onderen’ die hieruit resulteerde, leverde tevens op dat de feiten waarop de Hoge Raad zijn oordeel baseert niet steeds met de werkelijkheid overeenkomen. Een voorbeeld is het varkenspest­arrest, Bardoel/Swinkels (NJ 1984/415), waarin het ging om een ziek varken dat was weggelopen en de veestapel van de buurman had aangestoken. De Hoge Raad wees aansprakelijkheid van de eigenaar van het zieke varken af omdat deze ‘het besmettingsgevaar niet kende noch had behoren te kennen’. Bruinsma’s studenten vonden uit dat de eigenaar wel degelijk van de ziekte op de hoogte was. Iemand die door het uiteenlopen van juridische en feitelijke waarheid geschokt leek, was Jan Vranken. In zijn Algemeen deel ** van de Asser-serie schrijft hij deze divergentie toe aan ‘de procesrechtelijke regel dat feiten en stellingen die in eerste aanleg of in appel niet bestreden zijn door de rechter als tussen partijen vaststaand moeten worden aangemerkt’ (p. 8). Via Vrankens werk in de commissie fundamentele herbezinning op het burgerlijk procesrecht – zie W.D.H. Asser, H.A. Groen, J.B.M. Vranken, m.m.v. I.N. Tzankova, Uitgebalanceerd. Eindrapport fundamentele herbezinning, Den Haag: Boom 2006, 219 p. – zou dit wel eens invloed kunnen gaan hebben op ons toekomstig procesrecht. Niet alles meer overlaten aan partijen, maar zelf als rechter ook aan waarheidsvinding doen, zo luidt de boodschap. Zo zien we waartoe meer aandacht voor de feiten kan leiden.

3 Een in begrijpelijke mensentaal gestelde en geïllustreerde bundel standaard­arresten moge in ons land ontbreken, wij kennen wel het verschijnsel dat één bepaald arrest in de schijnwerpers staat. In het tijdschrift Trema staat regelmatig een beschrijving van een bekende zaak, bij voorkeur met foto van de locatie. De Groningse decaan Leon Verstappen raakte als student gefascineerd door de zogenoemde Watertoren-arresten (NJ 1936/414; 1937/639; 1938/353), die zich hadden afgespeeld in zijn nabije studieomgeving. Verstappen ging op onderzoek uit en legde zijn bevindingen vast in enige publicaties, het eerst in het Nijmeegse studentenblad Actioma en naderhand in de Van Velten-bundel Vast en zeker (2003, p. 259-289). Uit interviews met de partijen of hun nabestaanden (inclusief een 102-jarige neef) en oude procesdossiers, reconstrueerde Verstappen hoe de burenruzie tussen Van der Goes en Van Stolk is ontstaan. Dat was niet alleen een kwestie van hoog opschietende bomen op het terrein van Van Stolk, die het uitzicht van Van der Goes over de Ooijpolder belemmerden. Er was ook de zedelijke verontwaardiging bij mevrouw Van der Goes over de relatie die Van Stolk met de verpleegster van zijn doodzieke vrouw zou hebben. Van der Goes (‘een geslepen en sluwe jurist’, ‘een echte querulant’, ‘een nare man’) trok uiteindelijk aan het langste eind: de palen met lappen en de Amerikaanse windmolen moesten worden verwijderd. Om zeker te zijn dat dit hem nooit weer zou gebeuren, kocht hij het terrein van Van Stolk. Thans is het verenigde landgoed eigendom van het Gelders Landschap en toegankelijk voor bezoekers.

4 Het Kantharos-arrest (NJ 1960/59) leverde ons zelfs een heel boekwerk – met foto’s – op: W.M.J. Bekkers en A.A.H.M. Gommers (red.), De kantharos. Over recht en onrecht in de rechtspleging, Deventer: Kluwer 1998, 142 p. De bundel begint met een inleiding van de huidige president van de Hoge Raad, Brord Davids, die 25 jaar geleden met vrouw en drie dochters een fietstocht van Groningen naar Maastricht en retour maakte. En route vertelde Davids zijn vrouw en dochters van de Zeijense nachtbraker, de Gorsselse bomen, de Doetinchemse ijzergieterij en nog zo wat meer juridische bedevaartoorden die het vijftal op de fiets passeerde. Dat was iets te veel van het goede, vertelt hij, tot ze bij Stevensweert waren aangekomen. Het verhaal van de kantharos ging er in als koek (‘Ademloos hebben die dochters van mij geluisterd’, p. 11-12). De casus is wellicht niet meer aan ieder bekend. Aan het statige Utrechtse Janskerkhof bevindt zich op enkele meters van het huidige Molengraaff Instituut het pand Drift 15, waar een gevelsteen eraan herinnert dat hier ooit de edelsmidse van Brom was gevestigd. Deze Brom had voor een luttel bedrag een bekertje gekocht van een particulier die bij hem naar de waarde had geïnformeerd. Vervolgens laat hij zijn vakgenoten weten dat hij een kantharos van onschatbare waarde heeft weten te verwerven. Is hier sprake van verkopersdwaling? De rechtbank – met daarin de latere president V.J.A. van Dijck – wijst het beroep van verkoper op verkopersdwaling toe: edelsmid Brom had de verkoper over de herkomst behoren in te lichten. Hof en in het feitelijke kielzog daarvan de Hoge Raad menen dat de smid zijn geheim (het geheim van de smid) niet behoefde prijs te geven. In de bundel wordt de casus van alle kanten – juridisch maar ook kunsthistorisch – belicht. In verschillende bijdragen, zoals die van rechter Van Dijck, klinkt kritiek door op hof en Hoge Raad. Overigens: eind goed al goed. Via via is de kantharos uiteindelijk eigendom van de Staat geworden en thans in Nijmegen te bewonderen.

5 Ik heb het hier alleen over civiele arresten; de strafsector en de bestuursrechter leveren ook de nodige voorbeelden op. De Schiedamse parkmoord en de procedure tegen Willem Holleeder zullen zeker de aandacht krijgen en ook Maurice de Hond zal zich door een verbod in kort geding vermoedelijk niet laten muilkorven. Een probleem van de strafsector is wel de journalistieke terughoudendheid bij het weergeven van de personalia in strafprocedures. Het staat een verdachte, zoals de jongeman in de Arubaanse zaak van de verdwenen Natalie Holloway, dan uiteraard vrij dit te doorbreken door zelf met een publicatie te komen.

6 Dat laatste voorbeeld doet wel de vraag rijzen waar al deze aandacht voor de feiten goed voor is. Is het onze behoefte aan een juridisch Privé, die door deze publicaties gevoed wordt? Toegegeven, daar kan deze aandacht in ontaarden. Maar mits correct uitgevoerd, is aandacht voor de feiten van een casus wel degelijk nuttig. Drie argumenten wil ik noemen (er zijn er ongetwijfeld meer). In de eerste plaats kan kennis van de feiten bijdragen aan het memoriseren van het rechtsoordeel; mijn Amerikaanse ervaringen wijzen het uit. Iedereen roept tegenwoordig wel dat men de inhoud van rechtspraak niet uit zijn hoofd behoeft te kennen als je de tekst toch zo online hebt. Maar dat is niet waar: parate kennis speelt in het rechtsbedrijf een grote, onderschatte rol. In de tweede plaats heeft ons recht een ontwikkeling doorgemaakt in de richting van de common law, waar het recht gedragen wordt door casuïstiek. Daarvoor is een precieze kennis van de feiten en omstandigheden van groot gewicht. Wijken die af van de feiten van een eerdere casus, dan rijst de vraag of we de nieuwe zaak van de eerdere moeten distinguishen, zodat het precedent van de eerdere zaak niet geldt. Overigens zullen wij een echt precedentenstelsel nooit krijgen en dat zou ook helemaal niet wenselijk zijn, zoals ik eerder in dit blad heb betoogd – Ars Aequi 2006, p. 327-332. Maar ook in het continentaal-Europese recht spelen de feiten een grotere rol dan vaak wordt geleerd. P. Abas heeft in zijn inaugurele rede van 1985 voor ons recht al gewezen op De betekenis van de feiten. Ten derde geeft een goede kennis van de casuïstiek in internationale onderhandelingen een uitstekende uitgangspositie. In de beraadslagingen van commissies als de Commission on European Contract Law (de Lando-commissie) en de Study Group of a European Civil Code (de Von Bar-commissie) spelen Britse juristen – ondanks het feit dat zij het getalsmatig tegen de continentaal-Europese groep moeten afleggen – steeds een vooraanstaande rol. Dat is niet alleen een gevolg van het feit dat het overleg veelal in hun moedertaal – het Engels – wordt gevoerd. Vooral hun vermogen om bij elke besproken casuspositie een Brits arrest te kunnen vermelden geeft hen een voorsprong op hun collegae uit andere rechtsgebieden. Feiten helpen, liefst met plaatjes.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi september 2007

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *