De eenheid van het burgerlijk recht

Een van de grote schisma’s in het communistische rechtsdenken van weleer had betrekking op de jednost civilnowa prawa, de eenheid van het burgerlijk recht. Enerzijds waren er de conservatieve socialistische landen zoals de voormalige Sovjet-Unie, waar deze eenheid gekoesterd werd. Anderzijds waren er de progressieve socialistische landen zoals wijlen de DDR en Tsjechoslowakije, die beide diverse privaatrechtelijke codificaties invoerden, voor burgers onderling, binnenlandse handel en buitenlandse handel. Ook in Nederland woedt bij tijd en wijle de strijd om de eenheid van het civiele recht. Binnenkort keert de pacht terug in het Burgerlijk Wetboek. Jarenlang verkeerde de pacht in de privaatrechtelijke diaspora. De Pachtwet verenigde alle bepalingen – privaatrechtelijk, bestuursrechtelijk en procesrechtelijk – in één regeling, onder één departement (niet dat van Justitie). Dat hield echter tevens in dat de pachtbepalingen los van het overige civiele recht werden toegepast en dat het burgerlijk recht zich ontwikkelde zonder pachtrechtelijke inbreng. Gelukkig komt thans aan deze anomalie een einde. Maar het kan ook weer fout gaan. Dat bewijst de regeling van de financiële dienstverlening. Deze wet bevat voor een deel zuiver civielrechtelijke bepalingen, welke geheel ten onrechte niet in het BW zijn opgenomen (zie het themanummer van AV&S augustus 2005, p. 107-140 met bijdragen van R.M. Vriesendorp, J.H. Wansink en J.G.C. Kamphuisen).

En weer dreigt het mis te gaan. Tijdens de parlementaire behandeling van zowel de Zorgverzekeringswet als de Wet Marktordening Gezondheidszorg hebben verschillende kamerleden aangedrongen op het in voorbereiding nemen van een integrale Zorgconsumentenwet. Ook de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie maakt zich sterk voor een dergelijke codificatie van alle VWS-regelgeving. Los van andere bezwaren tegen deze gedachte – zie J.C.J. Dute, TGR 2006, p. 414-422 – is er het gevaar dat langs deze weg de geneeskundige behandelingsovereenkomst uit het BW wordt losgeweekt en een eigen leven gaat leiden. Dat zou betekenen dat vragen als informed consent, het beroepsgeheim van de hulpverlener en de leer van het verlies van een kans op den duur eigenstandig zullen worden onderzocht, los van causaliteitsvragen bij andere aansprakelijkheden. Als ook Verkeer en Waterstaat een eigen Verkeerswetboek claimt en Milieu een eigen milieuwetboek, valt het hele aansprakelijkheidsrecht in kleine brokken uiteen. Dit is ongewenst en in strijd met de grondwettelijke codificatieplicht.

Daar komt nog iets anders bij. Het BW van 1838 stond in het teken van de contractvrijheid. Nog altijd is de contractvrijheid een paradigma van het privaatrecht. Maar zij is niet langer het enige paradigma. De geleidelijke toevoeging van beschermende regelingen voor de arbeidsovereenkomst, de koop op afbetaling, de huurkoop, de consumententransactie en de patiëntenovereenkomst hebben daarnaast een beginsel van bescherming van de zwakke partij ingang doen vinden. Laat de Minister van Justitie hier eens ingrijpen. Enkele jaren terug moest een Minister van Justitie bij een soortgelijk geschil met Sociale Zaken nog het onderspit delven, naar eigen zeggen omdat hij ten opzichte van zijn collegaminister een juniorpositie in de ministerraad had. Dit mag nooit meer voorkomen. Privaatrecht hoort in het BW. En strafrecht in het Wetboek van Strafrecht; maar dat is weer een ander verhaal.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi maart 2007

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *