Kritiek, maar met mate?
Kort geleden las ik in een recensie van een Duitse dissertatie op het gebied van het internationaal privaatrecht (Niklas Ganssauge, Internationale Zuständigkeit und anwendbares Recht bei Verbraucherverträgen im Internet. Eine rechtsvergleichende Betrachtung des deutschen und des US-amerikanischem Recht (diss. Kiel 2003), Tübingen: Mohr, 2004, 316 p.): ‘Ein Überflüssiges Buch’ (RabelsZ 2006, p. 211, 215). Het zal je maar gezegd worden. Kwalificaties als deze zijn in de juristenwereld zeldzaam, maar niet onbekend. Ik noem drie voorbeelden uit eigen land, die elk staan voor een eigen methode: die van de botte bijl, de literaire aanpak en de ironie.
Op 1 november 2002 promoveerde aan de Universiteit Utrecht Etienne van Bladel. De titel van zijn proefschrift luidde Arbitrage in de praktijk. De resultaten van het promotie-onderzoek zijn door promotor en promovendus tevens in het Nederlands Juristenblad gepubliceerd (NJB 2002, p. 1882 e.v.). Nadat Rozemond het proefschrift eerder al kritisch had besproken in het tijdschrift Bouwrecht, is het ook in het Tijdschrift voor Arbitrage door Schuyt en Meijer bekritiseerd. Meijer vindt de studie erg oppervlakkig (p. 85). De andere recensent, de nestor van de rechtssociologen in Nederland Schuyt, acht het proefschrift ‘onthutsend slecht uitgewerkt [...]. De allereerste beginselen van sociaal-wetenschappelijke methodiek van onderzoek zijn hierbij genegeerd, de meest elementaire regels [...] zijn niet in acht genomen’ (p. 78). Schuyt vraagt zich af ‘Hoe is het mogelijk, dat aan zo veel onkunde de doctorstitel wordt verleend’. Hij noemt het proefschrift ‘een schokkende karikatuur van onderzoek (en van een proefschrift)’ (p. 79). Aan het slot van zijn recensie werpt de recensent de vraag op ‘Is er dan niets goeds te vertellen van dit onderzoek? Het spijt me dat het antwoord op deze vraag “nee” moet luiden’ (p. 80). Niet alleen de promovendus wordt bekritiseerd, ook de promotor prof. Freek Bruinsma (‘zonder enige serieuze sociaal-wetenschappelijke begeleiding’) en de promotiecommissie bestaande uit de hoogleraren Alex Brenninkmeijer – as he then was – Ton Hol, Nick Huls en Jan Vranken (‘zonder enig kritisch oordeel van een promotiecommissie’) krijgen kritiek. Ik zou dit de methode van de botte bijl willen noemen. Niet erg effectief: de lezer krijgt eerder medelijden met de arme jonge doctor en betwijfelt of de conclusie dat het proefschrift absoluut niets nuttigs bevat wel correct is. Bij nadere lezing blijkt dan ook dat het bouwrechtwereldje – toch al opgeschrikt door de bouwfraude – nogal geschokt was door het blootleggen door Van Bladel van een heus old boys network, wat mij toch een verdienste van dit werk lijkt.
Effectiever dan de botte-bijl-methode is de zogenaamde literaire kritiek. Een voorbeeld hiervan is de bespreking door H.U. Jessurun d’Oliveira in NJB 1979, p. 228 van het proefschrift Rechtsvinding door de burgerlijke rechter. Een kwantitatief rechtspraakonderzoek bij de Hoge Raad en de Gerechtshoven (diss. Leiden, Deventer: Kluwer 1978, 268 p.) van H.J. Snijders. Deze kreeg er aldus van langs: ‘Hier kom ik bij mijn hoofdbezwaar tegen deze studie. Er worden door een jurist wat techniekjes geleend bij de sociale wetenschappen, en dan wordt er met veel vertoon van kappa’s en chi’s een onderzoek opgezet zonder enige voorafgaande hypothesevorming, zonder enige theorie. Turven op niks af. Weinig of geen verantwoording van de wijze waarop de rubrieken zijn gedefinieerd en de begrippen geoperationaliseerd’, enz. De recensent besluit: ‘Het ontbreken van theoretische achtergronden maakt dat men met de cijfers in dit boek uitermate voorzichtig moet omspringen: zonder theorie geen harde feiten’. Bovendien is hij uiteindelijk milder dan Schuyt: is er dan niets goeds te vertellen van dit onderzoek? Toch wel: ‘Uit het bovenstaande moet niet worden afgeleid dat het besproken boek geen kwaliteiten zou bezitten. [...]’. Het bijzondere van de kritiek is evenwel de literaire vorm waarin zij is verpakt. Deze methode is effectiever dan de botte bijl, maar zij vraagt wel een literair talent – bij d’Oliveira in hoge mate aanwezig – dat bij de gewone criticus gewoonlijk ontbreekt.
Die heeft evenwel nog een derde methode tot zijn beschikking. Dat is de methode van de ironie. Bij wege van voorbeeld noem ik de bespreking van de dissertatie van G.R. Rutgers (De verplichte procesvertegenwoordiging/Enige aspecten van de verplichte procesvertegenwoordiging in het burgerlijk geding in Nederland (diss. VU), Den Haag: Vuga, 1980, 359 p.) door O. de Savornin Lohman in RMThemis 1981, p. 175 e.v. Ik volsta met een drietal citaten. Rutgers’ plan van behandeling vangt aan met de woorden ‘De vele vragen die in het voorgaande met betrekking tot de verplichte procesvoering zijn opgeworpen zijn niet zonder meer te beantwoorden. Ik zal daarvoor ook geen poging doen’. Lohman voegt daar aan toe: ‘Voor wie begonnen is met de “Slotbeschouwing” doen deze woorden verrassend aan. Zij zijn echter wel juist’ (p. 175). In deze slotbeschouwing stelt Rutgers voor om de verplichte procesvertegenwoordiging als beginsel van het burgerlijk procesrecht af te schaffen. Lohman merkt hierover droogjes op: ‘Helaas blijkt bij lezing van het boek, dat de schrijver slechts een klein deel van de tussenliggende bladzijden heeft gebruikt om de gronden uit te werken die hem tot deze conclusie hebben geleid’ (p. 175). Wat staat er dan in de tussenliggende hoofdstukken? Ik laat wederom Lohman aan het woord: ‘De hoofdstukken 4 en 5 [...] behandelen de rechtsverhouding tussen de advocaat resp. de procureur en zijn cliënt naar geldend en toekomstig recht. Dit is ook een interessant onderwerp, maar het draagt niet bij tot de oordeelsvorming over het in de Inleiding centraal gestelde onderwerp. Hetzelfde bezwaar geldt voor hoofdstuk 6 [...]’ (p. 176).
Is er dan niemand om deze kersverse promoti in bescherming te nemen? Men make zich niet nodeloos ongerust. Waartoe dient anders een promotor? Of de promotor van Rutgers iets heeft gedaan, is mij niet bekend. Maar Bruinsma trad inderdaad voor Van Bladel in het krijt. Bloembergen deed in NJB 1979, p. 418, vervolgd in NJB 1979, p. 535 e.v., hetzelfde voor Snijders. Dát laatste wordt ook door de aanvaller gewaardeerd: ‘De medeverantwoordelijkheid van de “Doktorvater” krijgt in deze nazorg gestalte. Hij heeft het werkstuk als dissertatie aanvaard, en dit impliceert dat hij borg staat voor het wetenschappelijk karakter ervan [...]’ (NJB 1979, p. 421). Bovendien zijn althans de twee laatstgenoemde promoti toch nog goed in het academische wereldje terecht gekomen, Snijders als hoogleraar eerst in Rotterdam en dan in Leiden, Rutgers als hoogleraar in Groningen.
Het is in de juridische wereld lange tijd gewoon geweest om elkaar heel zachtzinnig te bejegenen. Als wijlen G.E. Langemeijer de auteur van een boek toevertrouwde dat wellicht een iets gewijzigde opvatting niet misstaan had, dan begreep iedere lezer dat de promovendus er helemaal niets van had begrepen. Tegenwoordig zijn we op dat punt meer open. Terecht, dunkt me. Het is wat onhandig om bij lezing van een boekbespreking steeds een woordenboek van impliciet taalgebruik paraat te moeten hebben. Wat te doen indien we fundamentele kritiek op het gelezene hebben? Drie methoden passeerden de revue. De methode van de botte bijl – de gegeven naam duidt er reeds op – wijs ik van de hand. De literaire kritiek heeft mijn voorkeur, maar men dient daartoe wel een – bij mij ontbrekende – gave te hebben. Blijft over de ironie, die mij nog het meest bekoort.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi januari 2007




