Pronken met andermans veren I
‘“Wat heb je voor opdracht?” vroeg Maarten.“Ik moet de commentaren bij de kaarten van het dwaallicht schrijven. Ik ben student-assistent.”“Maar dat zou Beerta toch zelf doen?”“Ik denk dat hij er zijn naam wel onderzet”. Hij zei het zonder enige boosaardigheid.’(J.J. Voskuil, Het bureau. Meneer Beerta, Amsterdam: Van Oorschot 1996, p. 32)
Op 4 september 2003 opende het Utrechtse Universiteitsblad (U-blad) met het volgende bericht:
‘Kandidaat-hoogleraar belastingrecht A. Pleijsier verlaat de Rechtenfaculteit. De professor heeft per 1 oktober een baan buiten de universiteit aangenomen. De man kwam begin dit jaar in opspraak na beschuldigingen over plagiaat die volgens Pleijsier zijn geuit door vier van zijn medewerkers.’
De beslissing van Pleijsier komt kort nadat de Leidse hoogleraar Brenninkmeijer aan het Utrechtse college van bestuur rapporteerde dat bemiddeling in de controverse bij belastingrecht niet tot de mogelijkheden behoort. Bovendien staken nieuwe beschuldigingen van plagiaat de kop op.
De controverse bij belastingrecht begon met de anonieme stukken die rondom de jaarwisseling werden rondgestuurd. Daarin werd aangetoond dat passages uit een hoofdstuk van Pleijsier in een leerboek belastingrecht, letterlijk overeenkwamen met teksten uit een boek van de Leidse hoogleraar Van Raad. Iets wat binnen de disciplinegroep al langer bekend was en waarvoor Pleijsier ook verantwoording had afgelegd. Een student-assistent van hem zou slordig werk hebben geleverd.
Pleijsier beschuldigde in een brief de vier vaste stafleden van de disciplinegroep van het versturen van de anonieme postzendingen. Deze zegden daarop het vertrouwen op in Pleijsier die de dagelijkse leiding in de disciplinegroep in handen had. Decaan Dorresteijn besloot vervolgens de vier de toegang tot het pand aan Drift 13 te ontzeggen (...).
Op verzoek van Dorresteijn vroeg het college van bestuur Brenninkmeijer te onderzoeken of de relatie tussen Pleijsier en zijn medewerkers kon worden hersteld. Volgens de overige betrokkenen zou Pleijsier daarbij niet volledig hebben willen meewerken. Brenninkmeijer zou volgens de decaan tot de conclusie zijn gekomen dat verdere bemiddeling geen soelaas bood. (...).
Natuurlijk is het allemaal heel erg, zo’n lastercampagne. Erg is ook de aantijging: als inderdaad hele alinea’s zijn overgeschreven, kan dat niet door de beugel. Iedere docent hoort zijn studenten ervan te doordringen dat plagiaat een van de ergste verwijten is die een wetenschapper kan treffen. Het gaat niet aan dat hij zich daar zelf aan schuldig maakt. Of Pleijsier dit gedaan heeft, onttrekt zich aan mijn waarneming. Allicht heeft hij het niet zo bont gemaakt als de Leidse hoogleraar Diekstra, die indertijd hele passages zonder bronvermelding uit een Amerikaans boek had overgenomen. Wat mij echter stoort, is Pleijsiers verdediging: volgens het U-blad heeft hij gezegd dat een student-assistent de fout heeft gemaakt. Wat ik voor een wetenschapper ongeveer even erg vind als plagiaat, is dat hij kennelijk het werk van een ander voor dat van zichzelf heeft laten doorgaan. Ik weet dat zoiets bij onze medische collega’s regelmatig voorkomt, maar het feit dat iets regelmatig geschiedt rechtvaardigt dit gebruik mijns inziens niet.
Wat gebeurt er dan bij de medici? Als blijk van instemming plegen senior onderzoekers daar hun naam te zetten onder de publicatie van onderzoek dat door een junior onderzoeker is uitgevoerd. Het is in mijn ogen een verwerpelijk gebruik, maar laat ik niet te vroeg oordelen: ik heb de medici hierover nog niet gehoord en het is nu eenmaal een – ander – goed gebruik onder juristen (zie AA20050917; p. 42 van deze bundel) dat alvorens te oordelen de andere partij wordt gehoord.
Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi oktober 2006




