Parijse notities

(In eerdere columns heb ik aandacht besteed aan onderzoeksverblijven in Duitsland en Engeland. Ditmaal is Frankrijk aan de beurt. Op uitnodiging van de Université de Paris I gaf ik enkele jaren terug onderwijs in de lichtstad. In deze XXL Column breng ik, aangevuld met meer recente wederwaardigheden, verslag uit van mijn belevenissen van toen. EH)

1 Inleiding
Een belevenis, dat is het zeker om enige tijd in Parijs door te brengen. Zelf mocht ik de periode uitkiezen en het werd de winter, niet omdat dit mijn favoriete jaargetijde is, maar omdat het goed uitkwam met het onderwijs dat ik in Nederland moest geven. Toestemming van disciplinegroep, faculteitsbestuur en college van bestuur kwam wonderbaarlijk snel en zo konden we naar een onderkomen gaan zoeken. Wij, want mijn vrouw zou meegaan. Ooit woonde zij al een jaar in Parijs en de gelegenheid om er terug te keren, liet ze zich niet ontnemen. Bovendien zou ze in Parijs interviews kunnen afnemen voor het audiomateriaal bij een schoolmethode Frans waarvan ze mede-auteur is.

In deze notities zal ik aandacht besteden aan wonen in Parijs, woon-werkverkeer, de universiteit, het onderwijs, burgerlijk recht in Frankrijk, de bibliotheek, studentenuitwisseling, de stad, het onderwijssysteem en het juridisch onderwijs, terwijl ik afsluit met een epiloog.

2 Wonen in Parijs
Het vinden van een woning bleek niet eenvoudig. Parijzenaars zijn er niet happig op om hun vrijstaande flat voor een paar maanden te verhuren en de universiteit biedt al helemaal geen bijstand. Uiteindelijk vonden we een prettig gelegen studio met keuken en badkamer, vlakbij Gare Montparnasse, nota bene via een Nederlands reisbureau. In de buurt is alles volop te krijgen. Winkelsluiting is hier een welhaast onbekend begrip. Ook op zondagochtend zijn de kleine groentewinkels en bakkers geopend. Hun prijzen liggen wel een stuk hoger dan die van de supermarkten. Meer in het algemeen is onze ervaring dat het leven in Parijs duurder is dan in Nederland. Daar tegenover moet ik wel de ervaring plaatsen van collega Pierre Legrand en zijn vrouw Linda die ons vertellen dat zij in de volkswijk bij de Place d’Italie juist goedkoper uit zijn dan in hun voormalige woonplaats Tilburg.
Onze flat is aan de achterkant van een gebouw van 10 hoog gesitueerd en daarom heerlijk rustig. We hebben uitzicht op de Eiffeltoren; buiten lijkt het wel een park, omdat op de platte daken van de ons omringende kantoorlaagbouw gras is gezaaid en heuse bomen van 10 meter hoog zijn geplant.

3 Woon-werkverkeer
Dagelijks loop ik in ruim 30 minuten naar de Bibliothèque Cujas. Het is een afwisselende wandeling: eerst langs de brede Boulevard de Vaugirard – boulevard: u leest het goed; de rue de Vaugirard is veel bekender – met zijn postmuseum, zijn station en zijn restaurants. Dan de Boulevard de Rennes met la FNAC (5% korting; mooie cd-collectie). Bij metro Saint-Placide rechtsaf via de Rue Notre Dame des Champs naar de Rue de Fleurus, waar men op nr. 27 het huis van Gertrude Stein passeert. Hier hield de gevierde Amerikaanse van 1903 tot 1938 haar salon: ‘Tout un rituel réglait les réceptions – il serait plus juste de dire les audiences, comme pour le pape – qu’elle donnait assise sur une haute cathèdre, drapée dans de lourdes tuniques de velours à côtes ou de tweed. Elle n’accueillait que les hommes … Malheur à ceux qui … ne témoignaient pas à la divinité le respect qui lui était dû’ (Jean-Paul Crespelle).

In het Jardin du Luxembourg wordt op dit vroege uur, ondanks de kou, al getennist, gejogd en een of andere oosterse vechtsport beoefend. Via de rue Soufflot met haar juridische boekhandels (Dalloz, LGDJ, Litec, Sirey) bereik ik het Panthéon, niet het monument voor ‘Les grands hommes’, maar het gelijknamige gebouw waarin – o grenzeloze verwarring – zowel mijn Université de Paris I als de Université de Paris II hun administratie hebben gevestigd.

4 De universiteit
Het zijn beide immense universiteiten. Paris I heeft wanneer ik er werk ruim 35.000 studenten (rechten, letteren, sociale wetenschappen) en Paris II ruim 18.000 (alleen rechten, dat hier overigens mede economie omvat). Het is te begrijpen dat als je aan de portier vraagt waar je geacht wordt college te geven, deze je naar de afdeling planning verwijst. Waar men bereid is de gevraagde inlichting te geven, zij het onder vermelding dat de afdeling eigenlijk pas om 10 uur open gaat.

Een explosieve groei van het aantal studenten heeft ertoe geleid dat de huisvesting verre van ideaal is. Alleen het administratief personeel heeft hier een kamer; hoogleraren slechts als ze tevens directeur van een Centre zijn, zoals mijn collega Ghestin dat was – hij is inmiddels met emeritaat – van het Centre de droit des obligations. Het gevolg is dat bijna iedereen thuis werkt en dat er veel minder contact is dan bij ons.
Alleen op de dagen dat ik op het Institut National de Consommation werk – ik verricht samen met een aldaar werkzaam juriste in het kader van een PHARE-project onderzoek naar het gebruik van collectieve acties in Centraal en Oost-Europa – beschik ik over een bureau.

5 Onderwijs
Ik heb flink wat onderwijs, wat goed is om snel kennis te maken met het Franse recht. Dat is in het algemeen niet zo moeilijk, omdat het qua structuur veel lijkt op ons burgerlijk recht van voor de invoering van het Nieuw BW (of eigenlijk net andersom). Op maandagochtend verzorg ik in een nauwelijks te vinden zaaltje in het Panthéon, alleen te bereiken via de ‘vieil escalier’, in de cyclus van Christophe Jamin (toen hoogleraar te Lille, maar met een onderwijsopdracht in Parijs; inmiddels verbonden aan Sciences Po te Parijs) college over de ontwikkelingen in de civielrechtelijke doctrine in de XIXe eeuw in Nederland. De – weinige – Franse studenten vinden het wel mooi te horen dat ook bij ons Aubry en Rau, Demolombe en Baudry-Lacantinerie gevestigde namen waren.

’s Avonds geef ik in het amphithéatre Bachelard van de Sorbonne twee uur college in de cyclus van Mlle Viney (zelf staat ze erop zo genoemd te worden, en niet Madame). Ik besteed aandacht aan ontwikkelingen in het aansprakelijkheidsrecht (DES, sites contaminés, niet IZA/Vrerink wat voor de Fransen gelet op de loi-Badinter minder interessant is). Voorts aan de betekenis van Europeesrechtelijke ontwikkelingen op dit gebied. Zo’n 120 studenten – laatstejaars en aio’s – volgen beleefd mijn college en schrijven alles uit mijn mond op. In Frankrijk wordt examen afgenomen over de collegestof en niet over de literatuur. Mijn mooie (vind ik) sheets blijven ongebruikt, want overheadprojectoren zijn hier wel aanwezig, maar bij ontstentenis van een scherm van weinig nut.

Op donderdag heb ik eerst, ook in de Sorbonne, drie uur werkgroep medisch aansprakelijkheidsrecht – de studenten doen actief mee – en ’s avonds in Amphithéatre III van het Panthéon nog twee uur college over Nederlands recht. Het eerste doe ik aan de hand van een aantal casus, die uit het (Nederlandse) leven zijn gegrepen. Voor bijna elk ervan zijn ook wel Franse precedenten aan te wijzen, zo actief is de rechtspraak hier. De meeste studenten hebben zich goed voorbereid en weten de precedenten ook te noemen. Omdat ze kennelijk weinig training hebben gehad in het spreken in het openbaar, zijn hun antwoorden echter moeilijk te verstaan. Voor mijn avondcollege grijp ik terug op ofwel Franse standaardarresten ofwel recente Franse rechtspraak, om aan de hand daarvan het verschil met het Nederlandse recht te demonstreren. Ook besteed ik aandacht aan onderwerpen waarvan mij uit vragen van studenten is gebleken dat zij momenteel bijzondere belangstelling genieten, zoals bijvoorbeeld de theorievorming rond derdenwerking van aansprakelijkheidsclausules (groupes de contrats).

Aan de werkgroep wordt deelgenomen door circa 45 studenten; bij het college zijn zo’n 100 à 150 studenten aanwezig. Eenmaal blijkt de zaal waar ik les moet geven bezet met een examen. De belendende zaal is gelukkig leeg, althans tot een half uur na aanvang, wanneer een docent van Paris II tot zijn ontstemming de voor hem gereserveerde zaal door mij bezet vindt. Gelukkig is hij bereid – met zijn 25 studenten – elders ruimte te zoeken, wat bij het gebrek aan zaalruimte geen sinecure is. Gebrek aan zaalruimte verklaart ook dat er tussen de uren geen kwartier tussenspel is.

Als ik zaterdagochtend mijn tweede werkgroep medisch aansprakelijkheidsrecht van drie uur erop heb zitten, is de werkweek ten einde. Het is een aantrekkelijke methode om te doceren in het kader van bestaande cycli; voor de studenten is zo ook duidelijk dat wat de gastdocent te vertellen heeft tot de examenstof behoort.

6 Burgerlijk recht in Frankrijk
Het voorbereiden van het onderwijs geeft mij de gelegenheid om nader kennis te maken met het Franse burgerlijk recht. Wat opvalt is, ik vermeldde het reeds, de grote gelijkenis met het Nederlandse recht van vóór 1992. Toch zijn ook wel verschillen aan te duiden. In de eerste plaats is er de overvloed aan bronnen. Het Cour de cassation wijst jaarlijks vele duizenden arresten; van de grote hand- en studieboeken (Ghestin, Malaurie, enz.) verschijnt (bijna) elk jaar een nieuwe druk; het aantal civielrechtelijke promoties en tijdschriftartikelen is ontzagwekkend. Een tweede verschil is het onderscheid dat hier wordt gemaakt tussen wat de cassatierechter en de feitelijke rechter aan rechtspraak wijst; alleen het eerste telt mee. Dit heeft ook gevolgen voor de keuze van rechtsfiguren. Wil het Cour de cassation de controle over een rechtsgebied behouden, zoals over de bepaalbaarheid van de prijs, dan wordt niet de bonne foi daarvoor gekozen – de interpretatie daarvan is geheel aan de feitenrechter overgelaten – maar abus de droit, welke rechtsfiguur volkomen door de cassatierechter wordt gecontroleerd.

Een derde punt van verschil is dat terwijl het Franse recht op het eerste oog soms heel conservatief overkomt, er in feite via alle mogelijke constructies dezelfde resultaten kunnen worden bereikt als onder Nederlands recht. Een voorbeeld is de juist genoemde bonne foi. Die reikt veel minder ver dan naar Nederlands recht het geval is. Maar wat doet nu de Franse rechter? Die kwalificeert eerst een beding, dat daar in de verste verte niet op lijkt, als boetebeding. En vervolgens maakt hij gebruik van de wettelijke regeling om dit ‘boetebeding’ te matigen.

Ik besluit om één onderwerp aan een wat gerichter onderzoek te onderwerpen en dat onderwerp is de medische aansprakelijkheid. Het blijkt een goede keuze om zicht te krijgen op het Franse recht. Allereerst gaat het hier om een gebied dat deels privaatrecht en deels – voor de aansprakelijkheid van overheidsziekenhuizen – bestuursrecht is. Aanvankelijk was het administratieve regime voor de patiënt aanmerkelijk minder aantrekkelijk dan het privaatrecht: een ziekenhuis werd slechts in geval van faute lourde aansprakelijk geacht. In 1992 heeft de Conseil d’Etat aan deze achterstelling een einde gemaakt en thans wordt in het administratieve regime zelfs in sommige gevallen een risico-aansprakelijkheid aanvaard. Daarmee wordt ten dele goedgemaakt, wat hier nu juist weer moeilijker ligt dan in Nederland: de bewijslast. Het is de patiënt die alles moet bewijzen en van enige steun in de zin van Timmer/Deutman heeft men hier nog niet gehoord.

In het privaatrechtelijk gezondheidsrecht valt het grote belang op dat men aan het onderscheid tussen inspanning- en resultaatsverbintenis hecht. Veel aandacht is er voor de afwikkeling van het hemofilie-schandaal van begin jaren tachtig: de Fransen zijn toen veel te lang doorgegaan met het in omloop brengen van met aids besmet bloed, ofschoon er al methoden waren om daar iets aan te doen. Ten slotte wijs ik op de zaak Kelly Molenaar, die in Frankrijk in de Perruche-zaak een beroemde voorganger heeft.

7 Bibliotheken
Voor mijn studie van Frans recht vertoef ik veel in de Bibliothèque Cujas (voor iedereen toegankelijk; pasfoto meenemen). Wie er wel eens is geweest, weet dat dit geen riante bibliotheek is. Een paar honderd studenten verdringen zich om de aanwezige zitruimte. Voor docenten is overigens een afzonderlijke studieruimte beschikbaar, waar altijd plaats is.

Alle boeken en tijdschriften – met uitzondering van de meest gebruikte handboeken en oudere jaargangen – moeten afzonderlijk worden aangevraagd; geen aanmoediging om eens te ‘browsen’. Wel is het verblijf in een Franse bibliotheek een goede aanleiding om eens grondig met de Franse jurisprudentie en doctrine kennis te maken. Veel is ook in Nederlandse bibliotheken aanwezig.

Buitenlands recht is nauwelijks voorhanden. De Nederlandse Jurisprudentie is blijkens de centrale periodiekencatalogus slechts op één plaats in Frankrijk (bij de Centrale Commissie voor de Rijnvaart te Straatsburg) aanwezig. De wel aanwezige buitenlandse periodieken zijn te consulteren op drie plaatsen. Allereerst is dat het Centre français de droit comparé aan de Rue Saint-Guillaume, waar sinds kort een nieuwe frisse wind waait. Tot voor kort zag je deze bibliotheek met het jaar verslechteren, maar nu is onder het regime van Louis Vogel sprake van een renaissance. Dat is te opmerkelijker, omdat de fondsen zijn gehalveerd. Tot enkele jaren terug werd deze bibliotheek betaald door Paris I en Paris II. Maar Paris I trok zich terug en stichtte een eigen centrum voor rechtsvergelijking, aan de rue Malher bij de Place des Vosges. Een derde plaats waar rechtsvergelijkende literatuur bij elkaar staat, is in de Espace Tunc, zaal 419 van het Panthéon.

8 Erasmus/Socrates
Een bijzondere ervaring is het om in de omgeving van het Panthéon bijna dagelijks te worden aangesproken door Parijse studenten of ex-studenten die via Erasmus/Socrates naar Nederland zijn geweest. Zonder uitzondering vertellen zij dat ze het in Nederland enorm naar hun zin hebben gehad, zowel qua onderwijs als qua sociale contacten.

Ook de docenten van Paris II die ik ontmoet – Utrecht heeft alleen een uitwisseling met Paris II en niet met Paris I – zijn over de uitwisseling te spreken.

9 De stad
Tussen de colleges en de voorbereiding daarvan is er gelukkig ruimschoots gelegenheid om Parijs te verkennen. Mijn carte d’enseignant blijkt gratis toegang tot alle musea te geven. Vooral het Louvre (dinsdag gesloten) is na de grootse verbouwing bijzonder aantrekkelijk. Het Musée d’Orsay (maandag gesloten), waar de lange rijen wachtenden in de zomer zo afschrikwekkend werken, is eigenlijk alleen echt vol op de dag dat het Louvre gesloten is. Een juweel, met een klein aantal schitterende Nederlandse meesters, is het Musée Jacquemart-André. Mooi is ook de Place des Vosges, evenals de gehele Marais. In de buurt van het Panthéon zijn veel tweedehands boekwinkels, waar de prijzen overigens erg hoog liggen.

10 Onderwijssysteem
Het Franse universitair onderwijs is vrij massaal, zelfs naar Nederlandse maatstaven. Begin jaren zestig waren er in Frankrijk zestien universiteiten: Aix-Marseille, Besançon, Bordeaux, Caen, Clermont-Ferrand, Dijon, Grenoble, Lille, Lyon, Montpellier, Nancy, Paris, Poitiers, Rennes, Strasbourg en Toulouse. Vrijwel al deze universiteiten zijn na mei 1968 gesplitst, Parijs zelfs in dertien universiteiten. Voorts zijn er sindsdien nieuwe universiteiten gekomen in Amiens, Angers, Avignon, Brest, Chambéry, Le Havre, Limoges, Le Mans, Metz, Mulhouse, Nantes, Nice, Orléans, Pau, Perpignan, Reims, Rouen, Saint-Étienne, Toulon, Tours en Valenciennes.

In de jaren negentig waren er al ruim een miljoen studenten ingeschreven, waarvan 29% in Parijs en omgeving (in 1960 studeerde nog 35% in Parijs). Van deze enorme groep studeert ca. 26% rechten of economie. Letteren is overigens veruit de grootste faculteit. Het aantal docenten heeft geen gelijke tred gehouden met de groei van het aantal studenten. De staf/student ratio varieert van 1:40 tot 1:85. Door de stagnatie in de groei van het personeel heeft er een aanzienlijke vergrijzing plaatsgevonden: in Parijs is slechts 7% van de hoogleraren en maîtres de conférence jonger dan 40; 63% is tussen de 40 en 55 en 30% ouder dan 55. De opbouw van de personeelsformatie is ook geheel anders dan bij ons. Aan Paris I telt wat wij de disciplinegroep privaatrecht zouden noemen circa 25-30 hoogleraren, een handjevol maîtres de conférence en chargés de T.D. (travaux dirigés) en voorts wat wij aio’s zouden noemen.

Onder de studenten bevinden zich vele buitenlanders: ca. 135.000, vooral uit Afrika en het Midden-Oosten. Dat betekent dat je als Nederlandse student nauwelijks bijzonder bent en ook bepaald geen vip-behandeling krijgt. Franse universiteiten zien Erasmus/Socrates dan ook voornamelijk als een mogelijkheid om de eigen studenten naar het buitenland te kunnen uitzenden.

11 Juridisch onderwijs
Ook in Frankrijk is men bezig met invoering van het bachelor-master-stelsel – veelal met een tweejarige mastère. Maar het blijft van belang om iets te weten van de studie zoals die in het recent verleden was: de rechtenstudie besloeg ook toen vijf jaar. Na de premier cycle van twee jaar kreeg men het Diplôme d’Etudes Universitaires Générales (DEUG). De deuxième cycle wordt afgesloten met het Diplôme d’Etudes Universitaires Professionnalisées (DEUP), een licence (na drie jaar) of een maîtrise (na vier jaar).

Na het behalen van de maîtrise heeft de jonge meester een aantal opties. Een is de advocatuur. Daartoe dient men eerst bij het Institut d’études juridiques van de eigen universiteit examen af te leggen. In de jaren negentig slaagden gemiddels 2.000 van de 6.000 kandidaten voor het tentamen, waarna ze terecht kunnen bij een van de 22 Centres régionaux de formation professionnelle. Na een scholing van een jaar ontvangen ze het Certificat d’aptitude à la profession d’avocat (CAPA). En dan is het zoeken naar een stageplaats, want pas na twee jaar stage en nog eens 200 uur formation professionnelle zit de opleiding er echt op. Een derde mogelijkheid is de – zittende of staande – magistratuur. Hiervoor vindt de selectie plaats via het concours, een vergelijkend examen dat jaarlijks plaatsvindt.

Wie de keus nog een jaar wil uitstellen – en dat geldt voor velen – gaat nog een extra diploma halen. Meestal is dat een Diplôme d’Etudes Approfondies (DEA) of een DESS. Met name het DEA verhoogt de marktwaarde. Het beoogt op te leiden voor een promotie en het DESS voor de praktijk. De meeste universiteiten bieden verschillende van dergelijke programma’s aan. Toelating is niet gegarandeerd. Voor het DEA droit privé van Paris I bijvoorbeeld melden zich jaarlijks zo’n 800 studenten aan; van hen worden er zoveel geselecteerd, dat er uiteindelijk ongeveer 80 overblijven. Sommigen van hen zullen daarna ook een proefschrift gaan schrijven. Daar zijn enkele promotiebeurzen voor beschikbaar. Drie jaar lang krijgt de promovendus een toelage.

Ook voor een universitaire carrière is het concours de meest gevolgde weg. Ook dit concours bestaat uit een centraal examen dat jaarlijks mondeling in Parijs wordt afgenomen. Wie dit examen haalt, is professeur agrégé. Alle faculteiten die vacatures hebben, melden deze centraal aan. Wie nu in het concours als eerste is geëindigd mag als eerste een keuze maken uit de aangeboden vacatures, vervolgens komt nummer twee en zo verder. Nog niet zo lang geleden was het zo dat Parijs voor iedereen de meest begeerde standplaats was. Wie eerst ‘en province’ was benoemd, aanvaardde maar wat graag de promotie naar Parijs. Er waren echter uitzonderingen en deze lijken zich steeds vaker voor te doen. De salarissen in Parijs en elders zijn dezelfde, terwijl het leven in Parijs veel duurder is dan elders.

12 Epiloog
Het verblijf aan een buitenlandse universiteit biedt een uitstekende gelegenheid om in korte tijd vertrouwd te geraken met een vreemd rechtsstelsel. Parijs heeft het voordeel dat het systeem ons zeer vertrouwd voorkomt. De nadelen – massaliteit en slechte voorzieningen – worden ruimschoots gecompenseerd door de prachtige stad.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi oktober 2005

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *