De stijl van de rechter: Lord Denning

Engelse rechters staan bekend om hun fraai geformuleerde uitspraken. ‘It happened on April 19, 1964. It was bluebell time in Kent’, zo begint het wellicht meest bekende arrest van Lord Denning: Hinz v. Berry, [1970] 2 QB 40, 42. In het meinummer van dit blad ging Willem Witteveen uitvoerig in op een andere uitspraak van Denning die de Engelse stijl van rechtspreken illustreert. Het is de zaak Miller v Jackson, [1977] QB 966, die Denning zelf vermeldt in zijn Landmarks in the law (London: Butterworths 1984, p. 370-371). De zaak gaat over een verbodsactie van de bewoner van een huis dat grenst aan een cricketveld. De bewoner is bang dat er wel eens een (lood)zware cricketbal in zijn tuin zou kunnen belanden, net op het moment dat zijn vrouw of hij daar met de baby zou zijn. In eerste aanleg wordt zijn vordering toegewezen. Hoe het hoger beroep zal aflopen, is eigenlijk vanaf de eerste zin van het arrest duidelijk. Men oordele zelf:

‘In summertime village cricket is the delight of everyone. Nearly every village has its own cricket field where the young men play and the old men watch. In the village of Lintz in County Durham they have their own ground, where they have played these last 70 years. They tend it well. The wicket area is well rolled and mown. The outfield is kept short. It has a good club house for the players and seats for the onlookers. The village team plays there on Saturdays and Sundays. They belong to a league, competing with the neighbouring villages. On other evenings after work they practice while the light lasts’.

Maar de idylle wordt verstoord:

‘Yet now after these 70 years a judge of the High Court has ordered that they must not play there any more. He has issued an injunction to stop them. He has done it at the instance of a newcomer who is no lover of cricket. This newcomer has built, or has had built for him, a house on the edge of the cricket ground which four years ago was a field where cattle grazed. The animals did not mind the cricket. But now this adjoining field has been turned into a housing estate’.

Na dit impliciete beroep op de ‘Ortsüblichkeit’ zet Denning uiteen wat de klachten van de nieuwkomer waren. Met als resultaat dat de rechter in eerste aanleg hem wel in het gelijk moest stellen. Dat heeft in de woorden van Denning weer tot gevolg

‘I suppose, that the Lintz Cricket Club will disappear. The cricket ground will be turned to some other use. I expect for more houses or a factory. The young men will turn to other things instead of cricket. The whole village will be much the poorer. And all this because of a newcomer who has just bought a house there next to the cricket ground’.

De conclusie is inmiddels evident:

‘In a new situation like this, we have to think afresh as to how discretion should be exercised. [...]. Either the cricket club has to move: but for goodness knows where. I do not suppose for a moment there is any field in Lintz to which they could move. Or Mrs Miller must move elsewhere. As between their conflicting interests, I am of opinion that the public interest should prevail over the private interest. The cricket should not be driven out’.

Een prachtige uitspraak van een rechter (1899-1999) die bijna in drie eeuwen leefde. Het merkwaardige is dat Witteveen in het meinummer helemaal niet zo enthousiast over Miller v. Jackson is. In tegendeel: hij vertelt van een groep Nederlandse rechters aan wie hij de zaak heeft voorgelegd. Van hen waren sommigen verontwaardigd. Waarom vertelde Lord Denning zijn feitenverhaal op zo’n eenzijdige manier? Waarom was het zo’n literaire tekst geworden, zo soepel geschreven als een passage uit een roman of een kort verhaal? Waar bleef de neutraliteit die van een rechter verlangd wordt?’ (p. 337). En ook Engelse studenten zouden de uitspraak te partijdig vinden (p. 338). Daarbij moet worden aangetekend dat in Engelse rechtspraak de vaststelling van de feiten vanwege de precedentwerking van grotere betekenis is dan bij ons.
Mijn oordeel is anders. Door de feiten op een bepaalde wijze in te kleuren vergroot Lord Denning mijns inziens de overtuigingskracht van zijn uitspraak. Kan onze rechter dit ook? Daarover handelt de column van volgende maand.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi september 2004

Categorieën: Columns, Weblogs
Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *