Compensatieregelingen voor beroepsziekten. Een empirisch-juridisch onderzoek naar ervaren rechtvaardigheid en de relatie met het aansprakelijkheidsrecht

A.M. Overheul
Compensatieregelingen voor beroepsziekten. Een empirisch-juridisch onderzoek naar ervaren rechtvaardigheid en de relatie met het aansprakelijkheidsrecht
Diss. UU, UCALL 30, Den Haag: Boom 2025, 352 p., € 72

Dit proefschrift over werkgeversaansprakelijkheid voor beroepsziekten geeft niet alleen een mooi overzicht van de toepasselijke juridische kaders, het biedt ook empirische inzichten in de ervaren rechtvaardigheid van deze kaders. Dat ‘juridische rechtvaardigheid’ kan verschillen van ‘ervaren rechtvaardigheid’ blijkt uit het persoonlijke verhaal van Karel, die een auto-immuunziekte door blootstelling aan chroom‑6 op de werkvloer over heeft gehouden. Het bedrag dat hij heeft ontvangen ervaart hij niet als rechtvaardig, want er is eigenlijk geen bedrag dat op een goede gezondheid kan worden gezet. De toon voor het proefschrift is daarmee gezet. De hoofdvraag van het proefschrift luidt als volgt: ‘Hoe verhoudt de rechtspositie van de benadeelde partij in een compensatieregeling voor beroepsziekten zich tot (die in) het aansprakelijkheidsrecht en in hoeverre wordt dit als rechtvaardig ervaren door benadeelden?’

In de hoofdstukken 2, 3 en 4 worden de juridische kaders voor schadevergoeding bij beroepsziekten behandeld. Hoofdstuk 2 vangt aan met de arbeidsrechtelijke specialis: werkgeversaansprakelijkheid ex artikel 7:658 BW. Na een korte beschrijving van de wetsgeschiedenis en aanverwante maatschappelijke ontwikkelingen, wordt geconcludeerd dat het beroep op werkgeversaansprakelijkheid wegens een beroepsziekte dikwijls op één aspect stukloopt: het condicio-​sine-qua-non-verband. Hoe kan immers worden bewezen dat de werknemer de ziekte daadwerkelijk heeft opgelopen tijdens de werkzaamheden? Daar kunnen zelfs de arbeidsrechtelijke omkeringsregel en het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid vaak niet tegenop. De werknemer komt daardoor relatief vaak met lege handen thuis, soms na jaren procederen.

Hoofdstuk 3 behandelt compensatieregelingen: uitkeringen opgezet door (oud-)werkgevers ter tegemoetkoming en erkenning van het leed, zonder daar officieel aansprakelijkheid voor te accepteren. Nederland kende gedurende het onderzoek negen actieve regelingen en twee verstreken regelingen. De regelingen bieden geen volledige vergoeding, maar zijn bedoeld om een kostbare gang naar de rechter, zowel financieel als emotioneel, te besparen. Dit lijkt dus, althans op eerste gezicht, beide partijen op efficiënte wijze naar een rechtvaardige(re) oplossing te brengen dan het aangaan van een langdurige procedure.

Deze regelingen roepen evenwel vragen op over de verhouding met het algemeen aansprakelijkheidsrecht. Die vragen zijn het onderwerp van hoofdstuk 4. Daarin volgt onder andere een interessante beschouwing over de vraag of de regelingen voorzien in een corrigerende rechtvaardigheid, het grondbeginsel van het aansprakelijkheidsrecht dat fouten moeten worden rechtgezet of weggenomen, of meer in een distributieve rechtvaardigheid, een eerlijke(re) verdeling van de lasten tussen partijen. Overheul beargumenteert dat het niet-afdwingbare karakter en de gedachte van ‘enige rechtvaardige vergoeding’ achter compensatieregelingen maakt dat zij primair een distributieve rechtvaardigheid bewerkstelligen, al neemt dit niet weg dat ook elementen van corrigerende rechtvaardigheid in de regelingen kunnen worden gevonden. Dat zou voornamelijk het geval zijn voor regelingen opgesteld door werkgevers zelf. Die voorzien immers vaak in een hogere vergoeding, die meer weg heeft van volledige compensatie, in de directe (bilaterale) verhouding tussen de werkgever en de werknemer – zonder tussenkomst van de overheid. Dit neemt niet weg dat de regelingen vrijwillig zijn: er bestaat tot op heden geen verplichting deze in het leven te roepen. Verder kan het standaardkarakter van de vergoeding leiden tot onder- of overcompensatie van de schade, wat tot interessante vraagstukken kan leiden in procedures waar de vraag aan de orde wordt gesteld of de schade (gedeeltelijk) kan worden verrekend.

Dergelijke theorieën over ‘juridische rechtvaardigheid’ zeggen echter nog niet veel over de ‘ervaren rechtvaardigheid’. Dat is het onderwerp van de – Engelstalige – hoofdstukken 5 en 6. In tegenstelling tot de verwachtingen binnen de doctrinaire wetenschap en de resultaten van gelijksoortig empirisch onderzoek bij gerechtelijke procedures, blijkt uit de afgenomen interviews en een survey dat een (succesvol) beroep op de compensatieregelingen over het algemeen niet als rechtvaardig wordt ervaren. Mogelijk is dit omdat het de werknemer geen podium biedt om zijn ervaringen te delen en over het algemeen geen neutrale derde over de toekenning oordeelt. Hoewel het empirische onderzoek is toegespitst op twee van de elf dogmatisch onderzochte regelingen – de chroom‑6-regelingen van de gemeente Tilburg en Defensie – en afhankelijk is van zelfrapportage, biedt het onderzoek een interessant nieuw tegenargument voor de wenselijkheid van (nog meer) dergelijke ad hoc compensatieregelingen.

Volgens Overheul is het dan ook belangrijk dat bij de opzet van toekomstige regelingen onder andere meer rekening wordt gehouden met het faciliteren van inspraak en horen van benadeelde werknemers. Daarnaast zou tussenkomst van een onafhankelijke derde, bijvoorbeeld door vaststelling van een algemene beroepsziektelijst, de ervaren subjectiviteit van toewijzing kunnen ontzenuwen. Het proefschrift biedt overigens nog veel meer stof tot nadenken over compensatieregelingen en hoe deze in de toekomst beter zouden kunnen worden vormgegeven. Het bestek van een boekbespreking kan eigenlijk geen recht doen aan zowel de doctrinaire als de empirische analyses en aanbevelingen in het boek. Laat dat vooral een reden zijn voor de jurist die zich interesseert in werkgeversaansprakelijkheid om het proefschrift aandachtig door te lezen. (MdZ)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *