De vrijheid van meningsuiting binnen de krijgsmacht
In 1973 zijn enige voorvallen in de publiciteit geweest die laten zien dat de vrijheid van meningsuiting binnen de krijgsmacht bepaald nog niet vanzelfsprekend is. Bijvoorbeeld de beroering in de pers rondom de personen van overste Volten en overste Von Meyenfeld (vgl. Hand. II 1971/72, p. 3734 v.), de vingerwijzing van de toenmalige staatssecretaris aan de zgn. gespreksgroep Harderwijk (Haagse Post 4 okt. 1972, p. 11), de ongrondwettigheid van de ministeriële beschikking inzake de verspreiding van geschriften met een onkrijgstuchtelijke inhoud (inmiddels op andere gronden ingetrokken, vgl. Hand. II 1971/72 p. 1521 v.).
Een van de meest saillante gebeurtenissen was wel de berisping bestemd voor luitenant-kolonel K. Bloema (vgl. ook Aanh. Hand. II 1972/73 p. 99). In de pers (VN) verscheen hierover o.a. het volgende bericht:
De commandant van het Commando Opleidingen van de Koninklijke Landmacht, de generaal-majoor G. Mensink, heeft in een brief (‘met het stempel confidentieel persoonlijk’ en de aanduiding ‘terechtwijzing’) de lt.-kol. K. Bloema berispt, omdat deze mede-ondertekenaar was van een advertentie in de Volkskrant van 23 september 1972, gericht tegen de hoge eis van drie maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden onvoorwaardelijk, tegen 7 hoofdbestuursleden van de V.V.D.M. Deze zeven dienstplichtigen hadden de ‘weiger de militaire groet en doe maar gewoon’-dag georganiseerd.
U heeft geen toegang tot de download(s) van dit product.
Login of bekijk onze abonnementen





