Beklag bij ambtsmisdrijven: een (on)werkbare procedure?

De procedure voor berechting van ambtsmisdrijven gepleegd door een bewindspersoon of Kamerlid is een vreemde eend in de bijt. Zo kan vervolging alleen plaatsvinden indien de opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij besluit van de Tweede Kamer en vindt berechting in eerste en enige aanleg door de Hoge Raad plaats (art. 119 Grondwet). De regeling is omgeven met fundamentele bezwaren en praktische knelpunten (commissie-Fokkens 2018, hoofdstuk 5). Door middel van wijzigingen in de Grondwet en andere wetten in formele zin wil de regering deze procedure moderniseren.

Een van de voorgestelde wijzigingen is dat een bewindspersoon of Kamerlid vervolgd zou kunnen worden zonder dat een vervolgingsbeslissing van de regering of Tweede Kamer is vereist (art. 119 Gw concept-Grondwetsvoorstel, internetconsultatie.nl). De vervolgingsbeslissing zou gemaakt worden door de procureur-generaal bij de Hoge Raad (P-G) en de strafprocedure zou dan de reguliere behandeling in poten­tieel drie instanties doorlopen. Indien de P-G zou besluiten geen vervolgingsopdracht te geven, kan een belanghebbende daarover beklag doen bij de Hoge Raad. De Hoge Raad zou dat beklag beoordelen en zou kunnen bevelen dat toch tot vervolging moet worden overgegaan (concept-MvT bij het concept-Grondwetsvoorstel, internetconsultatie.nl, p. 13-14).

Volgens ons kunnen twijfels worden geplaatst bij de wenselijkheid van deze beklagprocedure bij, naar wij aannemen, de strafkamer van de Hoge Raad, in het bijzonder omdat hierdoor de mogelijkheid zal ontstaan dat dezelfde raadsheren bij de beklagprocedure als bij de zaak ten principale betrokken zullen zijn, al dan niet als reservist.

Allereerst zou een dergelijke gang van zaken onder omstandigheden strijdig met artikel 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces, kunnen zijn. Hoewel het uitgangspunt van het EHRM is dat het nemen van pre-trial decisions ten nadele van de verdachte op zichzelf geen schijn van vooringenomenheid creëert, kan dat anders zijn als de beslissing naar haar aard dicht bij de eindbeslissing ligt (EHRM 10486/83). Aangezien de vervolgingsbeslissing door de Hoge Raad, evenals in de reguliere beklagprocedure door het hof, vol getoetst zal worden, zouden deze raadsheren vanwege de schijn van partijdigheid later niet betrokken mogen zijn bij een even­tuele cassatieprocedure in diezelfde strafzaak (vgl. Valkenburg, in: T&C Strafvordering, art. 12j Sv).

Eveneens zou onwenselijk zijn dat dezelfde raadsheren betrokken zouden zijn, omdat de wetgever bij de reguliere beklagprocedure juist heeft opgenomen dat de leden van het gerechtshof die over het beklag hebben geoordeeld ‘bij voorkeur’ niet deelnemen aan de berechting in die strafzaak (art. 12j Sv). In het nieuwe Wetboek van Strafvordering, dat nu door de Eerste Kamer wordt behandeld, wordt terecht voorgesteld de woorden ‘bij voorkeur’ te verwijderen teneinde elke schijn van partijdigheid te voorkomen (Kamerstukken II 2022/23, 36326, nr. 3 (MvT), p. 855-856). Dat bij de extra gevoelige ambtsmisdrijven niet een vergelijkbare waarborg zou worden opgenomen, is daar niet goed mee te verenigen.

Een dergelijke gang van zaken zou des te meer onwenselijk zijn, omdat de Hoge Raad in de praktijk in beginsel pleegt te raadkameren met alle raadsheren die deel uitmaken van de kamer in kwestie (nr. 1.2-1.3 van Protocol deelname aan behandeling en beraadslaging van de Hoge Raad), in plaats van met slechts de in beginsel drie of vijf raadsheren die deel uitmaken van de zetel (art. 75 lid 2 RO). Deze reservistenpraktijk is ook om andere redenen al bekritiseerd (d’Oliveira 2019), maar heeft hier in het bijzonder mogelijk tot gevolg dat de raadsheren die over het beklag hebben geoordeeld ook betrokken zullen zijn bij het raadkameren over een beroep in cassatie in dezelfde zaak.

Er zijn verschillende oplossingen denkbaar om deze schijn van partijdigheid te voorkomen, zoals de raadsheren die het beklag hebben beoordeeld uitsluiten van betrokkenheid bij de cassatieprocedure, ook als reservist. Volgens ons is in ieder geval nadere gedachtevorming wenselijk om te voorkomen dat deze bezwaren een rol gaan spelen wanneer een hoogstwaarschijnlijk ook buiten de rechtszaal uitvoerig besproken strafzaak plaatsvindt.

Dit redactioneel van Pim van Achthoven & Johan van Banning is verschenen in Ars Aequi januari 2026.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *