Wie zal de formele wet toetsen?
Welke bezwaren men ook mag hebben tegen het denkbeeld om in Nederland de mogelijkheid van rechterlijke toetsing van de formele wet aan de Grondwet te openen, men kan niet beweren, dat de meer uitgewerkte en gepubliceerde plannen daartoe zich kenmerken door een niets ontziende hervormingsdrift.
In de voorstellen van de Proeve en van de Staatscommissie Cals-Donner, immers, wordt de te verlenen toetsingsbevoegdheid sterk beperkt en de gegeven toelichting maakt duidelijk, dat ook de commissieleden die vóór invoering zijn, zeer veel begrip hebben voor de bezwaren die men daartegen kan hebben.
Over het algemeen gaan de voorstellen in de Proeve en in het Rapport van de Staatscommissie in dezelfde richting. Het lijkt daarom nuttig hier in het bijzonder aandacht te besteden aan het laatstgenoemde voorstel; waar het voorstel van de Proeve in een andere richting gaat, zal dat worden vermeld.
Het voorstel van de Staatscommissie dan, komt – in het kort samengevat – neer op het volgende. De formele wet kan alleen getoetst worden aan de grond. wettelijke bepalingen omtrent de grondrechten; de toetsingsbevoegdheid gaat niet verder dan het in een concreet geval buiten toepassing laten van een wet die in dat concrete geval onverenigbaar is met de bedoelde bepalingen. De toetsing wordt in handen gelegd van de gewone rechter.
Men moet zeggen, dat de commissie met dit voorstel niet meer doorbreekt dan noodzakelijk is wanneer men een ruimer toetsingsrecht clan wij thans kennen, wil invoeren. Hierbij moet wel aangetekend worden, dat dit voorstel niet inhoudt het definitieve standpunt van de commissie ten aanzien van de begrenzing van de te verlenen toetsingsbevoegdheid. In het hier aangehaalde rapport is namelijk het toetsingsrecht alleen behandeld in samenhang met de zogenaamde klassieke grondrechten; de grondrechten die – zoals het rapport zegt – de strekking hebben de vrijheidssfeer van de burger tegenover de overheid te waarborgen. Bij deze constatering moet dan evenwel weer worden opgemerkt, dat van de commissie in haar huidige samenstelling nauwelijks verwacht kan worden dat zij te zijner tijd met een voorstel tot invoering van een algehele toetsingsbevoegdheid zal komen.
Vooruitlopende op haar studie van het vraagstuk van de eventuele algehele opheffing van de onschendbaarheid der wetten, deelt de commissie mede dat ‘naar het aanvankelijk oordeel van de grote meerderheid van de leden’ een toetsingsbevoegdheid ten aanzien van alle grondwetsbepalingen niet dient te worden ingevoerd.
U heeft geen toegang tot de download(s) van dit product.
Login of bekijk onze abonnementen





