Deze maand
In het februarinummer van Ars Aequi onderzoekt Sjoukje Kraak hoe het Internationaal Strafhof moreel ambigue daders benadert, met bijzondere aandacht voor voormalige kindsoldaten zoals Dominic Ongwen die na hun achttiende internationale misdrijven plegen. Ondertussen gooit Hester van der Kaaij gewoon een muntje op en doet een pleidooi voor lotsbeslissingen in het recht wanneer er niemand ‘meer’ gelijk heeft dan de ander.
Brianne McGonigle Leyh beschouwt 25 jaar bachelor-masterhervorming in het Nederlandse hoger onderwijs en stelt dat we in de volgende fase moeten streven naar diepgaand, hoogwaardig leren. Maar wie bepaalt wat de kwaliteit van een opleiding is, studenten? Sjoerd Claessens bespreekt de zin en onzin van studentenevaluaties en constateert en passant algemene evaluatiemoeheid.
Rob van der Hulle gaat in op Trumps speculatie over een derde ambtstermijn als Amerikaanse president, hij bespreekt het meest realistisch geachte scenario dat loopt via het vicepresidentschap. Van Trump-retoriek naar defensiegereedheid. Jos Vink ziet een uitgelezen kans om tegelijkertijd met de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voor de Wet op de defensiegereedheid ook een voorstel van Rijkswet in te dienen om het militaire straf(proces)- en tuchtrecht bij de tijd te brengen.
Wetgeving die al bij de tijd is richt zich steeds vaker direct op technologie en Annika Galle stelt dat er een meer conceptueel debat nodig is over ons mensbeeld in samenhang met de technologie-gerichtheid van de huidige Europese wetgeving. Zij verkent daarom de parallellen tussen de homo economicus van de eerste industriële revolutie en de homo roboticus in het huidige digitale tijdperk.
Dat en nog veel meer lees je in het Ars Aequi februarinummer.
Nieuwsbrief
Schrijf je in:





Bestuursorganen benutten hun ruime keuzevrijheid bij de inrichting van de bezwaarschriftprocedure nog betrekkelijk weinig. Van echte afstemming tussen de aard van bezwaargeschillen en wijze van horen is nauwelijks sprake. Veelal is het aantal te behandelen bezwaren en/of de verwachte juridische complexiteit doorslaggevend voor de procedure die wordt gekozen. In het artikel bespreek ik de voordelen van gemengde adviescommissies en de mogelijke implicaties voor het horen in het licht van de Wet versterking waarborgfunctie Awb.
Deze bijdrage onderzoekt hoe het Internationaal Strafhof moreel ambigue daders benadert, met bijzondere aandacht voor voormalige kindsoldaten die na hun achttiende internationale misdrijven plegen. Aan de hand van de zaak tegen Dominic Ongwen wordt betoogd dat het strafrechtelijke kader van het Internationaal Strafhof in beginsel voldoende ruimte biedt om hun moreel complexe status te adresseren, maar dat deze ruimte in zijn geval onvoldoende is benut.
Studentenevaluaties in hun huidige vorm zijn ongeschikt om de kwaliteit van onderwijs te meten. Kwaliteit van onderwijs komt voort uit een door studenten en docenten gedragen definitie van wat de kwaliteit van een opleiding zou moeten zijn. Co-constructie van het definiëren en onderhouden van die definitie, en constructieve feedback in een dialoog zijn daarbij onontbeerlijk.
De in voorbereiding zijnde Wet op de defensiegereedheid moet de krijgsmacht voldoende juridische armslag geven om zich gereed te stellen voor de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied. Ten onrechte wordt daarbij het militaire straf(proces)- en tuchtrecht buiten beschouwing gelaten. Dat werd in de jaren 1980 ontwikkeld met het oog op een rustig kazerneleven. Het is echter niet geschikt om effectief in (de aanloop naar) een grootschalig conflict te worden toegepast. Maar daar is wel wat aan te doen.
Een pleidooi voor lotsbeslissingen in het recht. Het geloof in de onfeilbaarheid van het recht en het idee dat conflictbeslechting geen enkele rol zou moeten spelen in rechterlijke uitspraken is achterhaald. We moeten accepteren en institutionaliseren dat in zeldzame gevallen er niemand ‘meer’ gelijk heeft dan de ander. Om dan toch het geschil te kunnen beslechten, zonder het conflict te verdiepen, is het lot de beste oplossing.
Op 20 januari 2025 legde Donald Trump voor de tweede keer de presidentiële eed af. Net als in zijn eerste termijn, heeft Trump ook in zijn tweede termijn al openlijk over een mogelijke derde termijn als Amerikaanse president gespeculeerd. In de meeste berichtgeving wordt dit niet heel erg serieus genomen, met als argument dat de Amerikaanse grondwet zonder meer in de weg zou staan aan een derde termijn. Volgens sommigen ligt dat echter genuanceerder en zijn er binnen het bestaande grondwettelijke kader wel degelijk mogelijkheden om een derde presidentiële termijn te bewerkstelligen. De meest realistisch geachte mogelijkheid loopt via het vicepresidentschap.
Deze opinie verkent de parallellen tussen de homo economicus van de eerste industriële revolutie en de homo roboticus in het huidige digitale tijdperk. Waar technologie besluitvorming objectiever en efficiënter lijkt te maken, roept dit nieuwe vragen op over regelgeving, verantwoordelijkheid en governance. Wetgeving richt zich steeds vaker direct op technologie en redeneert niet meer enkel vanuit de (maat)mens. Dit dwingt ons na te denken over autonomie, over (menselijk) toezicht en aansprakelijkheid in een geautomatiseerde samenleving. Daarnaast is een meer conceptueel debat nodig over ons mensbeeld in samenhang met de technologie-gerichtheid van de huidige Europese wetgeving. Kernvraag hierbij is wat uit de parallellen tussen de homo economicus en homo roboticus moet worden meegenomen. Beide mensbeelden leggen immers bloot dat regelgeving onvermijdelijk vertrekt vanuit een impliciete voorstelling van de mens en dat dit beeld de contouren van ons recht mede bepaalt.
Hoe kan de rechtspraktijk in weerwil van het ongemak en de schade die in een plaatsing in de gesloten jeugdhulp besloten liggen, eraan bijdragen dat aan deze kinderen optimale rechtsbescherming wordt geboden? Men voelt zich terecht verlegen met dergelijke beslissingen, maar twee recente uitspraken inspireren de rechtspraktijk om fijngevoelig te blijven motiveren en de belangen van het kind te dienen.
De redactie van Ars Aequi merkte op dat ik (Bernard Schols) het notariële recht dichtbij de mensen breng, onder meer door theatervoorstellingen en boeken en verzocht mij om voor deze rubriek een bijdrage te schrijven, over hoe mijn onderzoek buiten de universiteit impact heeft gekregen. Een compliment en een hele eer.