Een solidariteitscrisis tussen Europese lidstaten?

Solidariteit heeft al vanaf de totstandkoming van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal een centrale plaats binnen de gemeenschap (Schuman-verklaring, 1950). Het is dan ook niet opmerkelijk dat artikel 2 VEU bepaalt dat de Europese Unie onder andere berust op de waarde van solidariteit, en dat artikel 80 VWEU bepaalt dat solidariteit ten grondslag ligt aan het beleid inzake grenscontroles, asiel, en immigratie. Het nieuwe Europese Asiel- en Migratiepact reflecteert dat uitgangspunt, waarbij de Verordening Asiel- en Migratiebeheer stelt dat het Europese asiel- en migratiebeleid zal rusten ‘op [een] basis van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten’. Het Europees recht zwijgt echter over een concrete definitie van solidariteit. De lengte van een redactioneel stelt ons niet in staat een gepaste juridische invulling van solidariteit te formuleren; daarmee zouden we dit veelomvattende begrip geen recht doen. Daarom bekijken we solidariteit vanuit een breder perspectief, waarbij we aan de hand van Durkheims theorie het solidariteitsbegrip in een specifieke zaak, namelijk een uitspraak van 25 juli 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak (ECLI:NL:RVS:2025:3305), beschouwen.
De socioloog Durkheim onderscheidt twee soorten solidariteit, afhankelijk van het type samenleving. In kleinere samenlevingen die mechanische solidariteit vertonen, komt solidariteit voort uit de homogeniteit van de individuen. Organische solidariteit bestaat daarentegen in moderne, geïndustrialiseerde samenlevingen waarin men onderling afhankelijk is door de specialisatie van arbeid en complementariteit. Nu individuen vaak uiteenlopende waarden en belangen hebben, berust solidariteit op wederzijdse afhankelijkheid bij het uitvoeren van hun specifieke taken (Durkheim, 1893). Durkheims organische solidariteit tussen individuen is terug te zien in de ‘solidariteitsgeest’ tussen de lidstaten van de heterogene Europese Unie. Waar Durkheim zich richt op onderlinge afhankelijkheid door de specialisatie van arbeid, bestaat ook in het asiel- en migratiebeleid onderlinge afhankelijkheid tussen lidstaten. Nemen we Nederland als casus, dan blijkt dat bijvoorbeeld uit de beoogde nationale Asielnoodmaatregelenwet. De regering tracht met deze wet wijzingen in het asielbeleid aan te brengen om meer in lijn te komen met het beleid van andere lidstaten en om te voorkomen dat Nederland aantrekkelijker is dan andere lidstaten als bestemmingsland (MvT, p. 5). Het nationale beleid is dus afhankelijk van het beleid in andere lidstaten.
Volgens Durkheim is organische solidariteit kwetsbaarder dan mechanische, aangezien emotionele banden minder sterk zijn in een heterogene samenleving waar men uiteenlopende waarden en belangen heeft. Dat de solidariteit onder lidstaten kwetsbaar is en niet altijd de hoogste prioriteit geniet, komt bijvoorbeeld tot uiting in de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling. Daarin oordeelde de Afdeling dat alleenstaande mannelijke asielzoekers een reëel risico lopen dat zij bij terugkeer naar België terechtkomen in een situatie die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dat komt onder meer door de structurele tekortkomingen in opvang en rechtsbescherming, waarbij Belgische autoriteiten ernaar streven de opvangcapaciteit af te bouwen en een ontradingscampagne zijn begonnen met beelden van tenten in Brussel teneinde aan te tonen dat België vol is (r.o. 5.5-5.7). Als gevolg van het Belgische beleid wordt Nederland verantwoordelijk voor asielzoekers waarvoor het in eerste instantie Unierechtelijk niet verantwoordelijk is. Een uitkomst die niet in lijn lijkt met de solidariteitsgedachte.
Wat het solidariteitsbegrip in het Europese asiel- en migratiebeleid concreet inhoudt, zal de tijd leren. Het verwachte arrest van het Hof van Justitie in de zaak van de Commissie tegen Hongarije (C-769/22) over de juridische afdwingbaarheid van artikel 2 VEU zal daarvoor ongetwijfeld relevant zijn. Met Durkheim in de hand lijkt zowel de onderlinge afhankelijkheid als de kwetsbaarheid van organische solidariteit herkenbaar in de Europese Unie. De aangehaalde voorbeelden schetsen een enigszins paradoxaal beeld: lidstaten erkennen hun wederzijdse afhankelijkheid, maar dit weerhoudt hen er niet van om keuzes te maken ten koste van de solidariteit. Terwijl media en politiek soms de vraag doen rijzen of sprake is van een migratiecrisis, kan het – Durkheim indachtig – nuttig zijn om ons licht te laten schijnen op een andere vraag: bestaat een solidariteitscrisis tussen de lidstaten van de Europese Unie?
Dit redactioneel van Roos Nolten & Eva ten Hoor is verschenen in Ars Aequi februari 2026.
Categorieën: Redactioneel, Weblogs




