Toont alle 4 resultaten

‘(On)eerlijk duurt het langst’ of hoe het Burgerlijk Wetboek een gelegenheid tot (kunst)diefstal schept

R. Huyten, A. Piëtte

De regeling van de verkrijgende verjaring in het Burgerlijk Wetboek brengt mee dat na verloop van twintig jaar een dief van kunstvoorwerpen civielrechtelijk niets meer te duchten heeft. Hij is zelfs eigenaar geworden. Er bestaat echter de mogelijkheid dat hij door het Openbaar Ministerie (strafrechtelijk) vervolgd zou kunnen worden wegens heling indien hij het gestolen goed alsnog probeert te verkopen. Daarnaast bestaan in het strafrecht verschillende mogelijkheden om het gestolen voorwerp aan het bezit van de dief-heler en/of koper-heler te onttrekken. Het strafrecht disharmonieert op dit punt met het privaatrecht. Deze discrepantie tussen strafrecht en privaatrecht zal in het onderstaande stuk nader onderzocht worden.

Verdieping | Studentartikel
Juni 1995
AA19950454

Artikel 6:211 BW en de Engelse law of restitution

H.J. van Kooten

Kan hetgeen ter nakoming van een nietige overeenkomst is gepresteerd, uit onverschuldigde betaling worden teruggevorderd? Onder het oude BW beantwoorde de Hoge Raad deze vraag bevestigend. Immers, een nietige overeenkomst doet geen verbintenissen ontstaan en hetgeen uit doen hoofde is betaald, kan daarom ongedaan worden gemaakt. Dat is ook de hoofdregel onder het huidige BW. De terugvorderingsactie zal echter niet slagen voor zover deze in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid. In deze bijdrage wordt onderzocht wat redelijkheid en billijkheid in artikel 6:211 BW eisen. Het Engelse restitutierecht dient daarbij als bron van inspiratie.

Bijzonder nummer | Rechtsvergelijking
Mei 1994
AA19940311

Het recht werpt niet altijd zijn schaduw vooruit

R. de Bock

Aan de hand van een voorbeeld van restitutie van opleidingsgeld legt Ruth de Bock uit dat het recht niet altijd werkt zoals het bedoeld is.

Opinie | Column
Februari 2020
AA20200168

Rendement of restitutie? Clawbacks in rechtsvergelijkend perspectief

F. Ahlers, M.R. Tjon Akon

Onlangs oordeelde de Hoge Raad oordeelde dat een investeerder die ruim 1,1 miljoen euro had verdiend aan het Ponzi scheme van vastgoedbelegger René van den Berg, deze winst niet terug hoefde te betalen. Er is onduidelijkheid over deze betalingen. Heeft de investeerder die deze heeft ontvangen recht op deze gelden of dient restitutie plaats te vinden ten behoeve van de overige investeerders, wier inbreng is gereduceerd tot een faillissementsvordering? Deze kwestie wordt besproken vanuit een rechtsvergelijkend perspectief, waarin de oplossing van de Hoge Raad wordt vergeleken met het Amerikaanse faillissementsrecht.

Opinie | Redactioneel
Maart 2012
AA20120165

Toont alle 4 resultaten